Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staat eenigzins ia verhouding tot de grootte van het gangliënkogeltje. Het waterheldere blaasje met zijne kern, in welker plaats men ook soms 2—3 kleinere kernen van soortgelijken vorm aantreft, ligt soms aan den eenen wand van het gangliënkogeltje, zoodat het bij wenteling aan den zijrand komt te liggen, en daar buiten ook wel uitsteekt; gewoonlijk echter is het rondom door de zelfstandigheid der gangliënkogels omgeven, en daarin ingesloten, al is het ook niet juist in het middelpunt gelegen. Nu en dan komen er twee blaasjes in eenen gangliënkogel voor (1). Yolgens eene waarneming van Yolkmann (2) schijnen de kogeltjes, althans bij den kikvorsch, uit eene schaal en eenen vloeibaren inhoud te bestaan. Er deed zich namelijk een kogel voor met eene inscheurino-, en de verdeeling van schaduw en licht liet nagenoeg geen twijfel over, dat men een omhulsel voor zich had, waarvan de inhoud verwijderd was. Dikwijls is eene plaats der oppervlakte door korrelig pigment in het oog loopend geel of roodachtig gekleurd. Zoo zie ik het steeds bij den kikvorsch; Purkinje en Yalentüv vonden het bij zoogdieren.

Vergelijken wij de gangliënkogeltjes met andere cellen, dan schijnt hunne buitenste zelfstandigheid inet de cel, het waterheldere blaasje met den cytoblast, het glinsterende ligchaampje met het kernligchaampje overeen te komen; eene omstandigheid, welke met deze opvatting in strijd is, is, dat de geheele kogel, derhalve niet alleen de cel, maar ook de kern en het kernligchaampje door azijnzuur oogenblikkelijk volkomen worden opgelost.

Er bevinden zich aan de gangliënkogeltjes breede en allengs toegespitste verlengsels, als stekels (fig. 7, C, «), van dezelfde lichte en weeke zelfstandigheid als de gangliënkogeltjes, ware voortzettingen hiervan. Zij herinneren aan de stekelvormige verlengsels der epitheliumcellen op de plexus choroidei; zij zijn echter veelminder talrijk, en slechts zelden namelijk worden er onderscheidene aan eenen gangliënkogel gevonden. De punt is niet altijd scherp begrensd, maar dikwijls als afgescheurd, nooit echter gespleten of in fijne vezels verlengd. Men verwarre ze niet met fragmenten der

(1) IlEMAK, Observ. Tab. II, fi<*. 15.

(2) MiiUEB's Archiv, 1838, S. 292.

Sluiten