Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schijnlijfc, dat in de as der ganglia die zenuwvezels liggen, welke slechts door het ganglion heengaan, om in de grensstreng nog verder naar beneden te loopen, dat daarentegen de buitenste omspinnende vezels van elk ganglion bestemd zijn om naar buiten te treden. Het anatomisch onderzoek van het pars thoracica van het konijn leert, zoo als Valentin verzekert (1), dat de centrale vezels der ganglia, terwijl zij door de ganglienketen naar beneden loopen, allengs in lager gelegene ganglia digter bij oppervlakte komen, en eindelijk omspinnende vezels worden.

Bij den kikvorsch zijn er cilindrische, uitwendig niet opgezwollene zenuwen, maar die zich slechts door hare roodachtige kleur onderscheiden, en van buiten met eene laag gangliënkogeltjes bedekt zijn. Bij hoogere dieren schijnen mij, behalve aan de opzwellingen, geen gangliënkogeltjes voor te komen. Intusschen zag Volkmann (2) eens aan den glosso-phary/Kjeus van den inensch twee knoopvormige opzwellingen, welke door eene tusschenruimte van gescheiden waren, en ook in deze tusschenruimte ware gangliënkogeltjes, waartusschen de zenuwvezels heenliepen. Overigens verhouden zich de zenuwvezels binnen in de ganglia, als in de zenuwstammen: zij worden ligt varikeus, wanneer zij fijn zijn, en daar de buizen van den sympalhicus meest tot de fijnere beliooren, zoo komen ook in de knoopen vele vankeuze vezels voor.

In de ganglia van den sympalhicus komen met de eigenlijke zenuwvezelen der graauwe zenuwen ook de gelatineuze vezels voor; zij staan tot de gangliënkogels in eene bijzondere betrekking. De vezels van eenen bundel breiden zich namelijk trechtervormig uit, om eenen gangliënkogel of eene rij daarvan op te nemen, en komen daarna weder bijeen, om terstond weder op nieuw uiteen te gaan; zoo kan men dikwijls geheele strengen van gelatineuze vezels uit een ganglion te voorschijn

halen, die parelsnoervormig opgezwollen zijn, en in de opzwellingen kogeltjes bevatten. Aan de oppervlakte der kogeltjes bedekken zij allereerst hun buitenste overtreksel, of gaan ook

(1) Funct. nerv. p. G6.

(2) MiiLLER's Afchiv, 1840, S. 488.

Sluiten