Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over, die even zoo lang is als het staaije, meestal door eene dwarse streep hiervan gescheiden is, en zich door aanraking inet water in een breed kogeltje verandert. Hier is het blijkbaar het achterste, naar de choroïdea toegekeerde uiteinde van het staafje, dat zich in een draad verlengt; deze zou , zoo als Hannover (1) opgeeft, in eene eigendouimelijke pigmentscheede beloten zijn. Zulk eene scheede bestaat echter bij de zoogdieren niet; ook is de korrelige draad bij deze van de gladde verlenging van het staaije bij visschen en kik-

vorschen zeer onderscheiden, en juist bij de tot de retina behoorende weefsels schijnen zoovele variëteiten in de dierenwereld voor te komen, dat gevolgtrekkingen van de eene klasse tot de andere gevaarlijk zijn.

Van de staafjes der retina onderscheidt Hannover (2) de dubbele staaljes (Zwilliixjzapfen), welke met de staaljes in ééne rij staan, en wel zoo, dat 4—6 staaljes zich tusschen elke twee dubbele staafjes bevinden, en elk dubbel staaije door 2—5 kringen van staaljes omgeven is. De dubbelstaafjes zouden daardoor onderscheiden zijn, dat het naar buiten, naar de choroïdea toegekeerde uiteinde in twee zeer korte, stompe uiteinden uitloopt. Hunne oppervlakte zou niet korrelig worden, maar glad blijven; zij worden door uitwendige invloeden breeder, zinken ineen, en doen zich als lichte, doorschijnende kogeltjes voor. Wanneer slechts de

helft van het dubbeJstaalje ineen zinkt, dan neemt hel den vorm aan eener flesch. Zij zouden iels korter dan de staafjes zijn, waarvan het gevolg is, dat zich in de staafjes-laag, wanneer men ze van de vlakte beschouwt, in bepaalde tusschenruiinten kleine nevelige vlekken voordoen, die eerst bij het naar beneden schroeven van het mikroskoop in het focus komen. Deze regelmatige troebele vlekken zijn reeds door Mondini opgemerkt (5) en voor openingen gehouden, waarin de pigment-kogeltjes liggen. Vervolgens zijn zij door Valentin (4) gezien, die daarbij verklaart, dat de slaafjes of tepeltjes, zoo als hij ze noemt, niet alle in hel zeilde vlak, op dezelfde hoogte liggen, en bij eene zekere plaat-

(1) Mülier's Archiv, 1810, S. 323.

(2) S. 338

(3) Commenl. Bunuu. VII. 1791, p. 20.

(4) Rej>erL 1837, S. 249, Fig. 4.

Sluiten