Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sing van het mikroskoop slechts de eindvlakten van die staatjes zigtbaar zijn, die het hoogst geplaatst zijn. Ook mij zijn zulke openingen meermalen, al is het dan ook niet standvastig, voor gekomen; van het bestaan der dubbelstaafjes heb ik mij echter bij zoogdieren , noch aan de geïsoleerde elementen van de staaljeslaag, noch aan hunne profilbeelden kunnen overtuigen, hoe gemakkelijk ook de hiermede overeenkomende vormsels bij de visschen te zien zijn. Yalentin (1) verzekert, dat ook bij de kruipende dieren en in het netvlies van den mensch, naast de staafjes dubbelstaaljes bestaan.

Ik heb de staaljeslaag als de buitenste laag van de retina beschreven. Het komt mij nog twijfelachtig voor, of eene laag van kogeltjes, die dikwerf daar buiten op ligt, bij de retina dan wel bij het pigment moet worden gerekend te behooren. Bij de witte konijnen worden op de bleeke, zeszijdige cellen, die de plaats van het pigment vervangen, kleine, volmaakt ronde, glinsterende kogeltjes gevonden van het voorkomen van kleine vet- ot melkkogeltjes op vrij regelmatige afstanden; zij bezitten grootendeels eene doormeting van ongeveer 0,0024"', maar er komen ook kleinere, zeldzaam grootere voor; hun afstand van elkander bedraagt ongeveer 2 —4 inalen de doormeting van een kogeltje. Wanneer men de choroïdea zoo toevouwt, dat hare voorste vlakte den rand vormt, dan ziet men de kogeltjes over den rand uitsteken. Volgens hunne ligging schijnen zij met de kernen der pigmentcellen overeen te komen; want ook deze liggen bij de dieren met donker pigment in den voorsten wand der pigment-cel, en steken halfkogelvormig daar buiten uit. Elk kogeltje behoort ook meestal bij eene cel; maar er komen ook enkele tusschen de cellen voor, misschien beginsels van nieuwe vorming. Dikwijls blijven bij het wegnemen der retina de cellen met de kogeltjes, en zelfs de kogeltjes alleen hier en daar op de staafjes-laag zitten. BÜ de vogels komen in eene veel grootere hoeveelheid bonte, roode en gele kogeltjes voor, die in vorm en gesteldheid overigens met de vorigen overeenkomen, maar die slechts zelden aan de choroidea, gewoonlijk aan de retina blijven hangen, en hieraan de geelrood-

(1) Repert. 1841, S. 140.

Sluiten