Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

chaam , zoo plooit, dat hare binnenvlakte den rand vormt, en dezen rand met het mikroskoop beschouwt. De staaljeslaag (d) vertoont

zich hier als eene donkere massa, het digtst op het zwarte pigment (e), waarin slechts hier en daar eene loodregt op den rand staande fijne streepvorming te herkennen is. Tusschen de grenzen der staafjes en den vrijen rand is eene lichte ruimte van ongeveer 0,010"' breedte (in het kalfsoog); de buitenste helft, die het digtst bij den vrijen rand gelegen is (a) schijnt geheel en al structuurloos; verder naar de staafjes toe doen zich kogeltjes voor (6), en daaronder donkere

korreltjes en onduidelijke strepen'; eveneens loodregt op den rand (c), de schijnbare doorsneden der omgebogene zenuwvezels en korte einden der Tezels zelve. Langs den vrijen rand en daar builen uitstekende, liggen somtijds hier en daar geheel en al platte en in de lengte uitgerekte celkernen. Bevochtigt men het praeparaat met azijnzuur, dan worden er dikwijls, hoewel niet altijd, digt aan den rand hieraan evenwijdige fijne lijnen en over de geheele vlakte, wanneer zij in het focus gebragt wordt, een netwerk van soortgelijke lijnen zigtbaar. Er komen plaatsen voor, die volmaakt aan het voorkomen van een toegevouwen slijmvlies met zijn epithelium herinneren. Hieruit volgt, dat de binnenste laag der retina , waardoor zij naar het glasachtig ligchaam toe begrensd wordt, even als de epithelia uit groote en afgeplatte cellen gevormd wordt (1), die ten laatste tot een eenvoudig vlies ineen smelten;

(1) Zonder twijfel zijn deze cellen idenlisch met die, welke Hannover (t. a. p. S. 340) als cellen der hyaloïdea beschrijft; zij volgen echter, zoodra het oog zoo ver gemacereerd is, dat de retina en het glasachtig ligchaam zich gemakkelijk van elkander lalen scheiden, nooit het glasachtig ligchaam. Zoo werd het ook door Gottsche (Pfaff's Mittheilungen, 1836, Heft 1, 2, S. 55) gevonden, die de structuurlooze. vaste lamelle, welke de zenuwuitbreiding draagt, eigenlijke retina noemt. Michaeus (t. a. p.) beschrijft ze als serenze laag der relina. In legenspraak met mijne opgaven meent lilDDER, hoewel hij zich aan mijne meening omtrent de I ie teekenis der genoemde cellen aansluit, dat zij hgter het glasachtig ligchaam dan de retina volgen (Müller's Arcltir. 1851, S. 258). Hij wil echter, behalve deze cellenlaag, niettemin eene laag van gangliënkogels en wel op de buitenste, naar het Jacob'scbe vlies toegekeerde zijde der retina gevonden hebben. Gesteld, er kwamen hier cellen voor, hetgeen ik betwijfelen moet, dan is

Sluiten