Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dier niet al te fijne lagen met een scherp mes afsneed, en, met eiwit of met een stuk van het glasachtig ligchaam bedekt, onder het mikroskoop bragt. Bij fijnere of door drukking met het compressorium uitgespreide doorsneden zag Valentin (1), dat de vezelbundels ook in de centraalorganen vlechten vormen, even als in de nabijheid der peripherische uiteinden. Hij beveelt voor dit onderzoek deelen aan, welke reeds met het bloote oog eene duidelijke vezelvorming vertoonen, en tot dunne, gemakkelijk scheidbare lamellen gevormd zijn, namelijk het voorste en achterste klapvlies der kleine hersenen van den mensch, de uitstraling der vezels aan de binnenste oppervlakte der ventriculi laterales e. a. Van andere plaatsen kan men zich door middel van een tweesnijdend of dubbel mes fijne plaatjes verschaffen. Valentin vond nergens, noch in het ruggemerg, noch binnen in de hersenen, vrije einden, splijtingen in twee takken, of overgangen der vezels in elkander. Waar graauwe zelfstandigheid binnen de mergstrengen ligt, worden de kogelvormige elementen der eerste door de vezels der laatste even zoo omsponnen, als in de ganglia de gangliënkogeltjes door de peripherische zenuwbuizen. Slechts aan de oppervlakte der hemisphaeren van de groote en kleine hersenen, waar de graauwe en de witte zelfstandigheid aan elkander grenzen, zag hij de fijnste vezels lisvormig in elkander overgaan , even als bij de peripherische verspreiding der zenuwen. Valentin heeft deze centrale eind-ombuigingslissen bij het paard en de duif gezien , en die van de laatste afgebeeld (2). Tot nu toe is deze gewigtige waarneming alleen door Carus (3) bevestigd geworden. Burdacii (4) heeft geene eindombuigingslissen gezien, maar houdt het onderzoek van den loop der organische elementen van de hersenen voor zoo moeijelijk, dat hij zijne slechts voorloopige waarnemingen niet tegen die •van Valentin wil overstellen. Hoezeer ikwenschte, in deze aangelegenheid ook eene slem te kunnen uitbrengen, mag ik mij echter, na een gering aantal onderzoekingen, niet anders dan Bijrdach uit-

(1) t. a. p. S. 92.

(2) t. a. p. Taf. VII, Fig. 59.

(3) Müller's Archiv, 1839, s. 3g3.

(4) Beilriït/e, S. 2j.

Sluiten