Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lauth (1), Treviranus (2) en Remak (3) hebben fijne varikeuze vezels ook in de buitenste bastzelfrtandigheid gezien ; welligt waren het draden van uitgevloeide en door de bereiding uitgerekte mergzelfstandigheid. Treviranus getuigt, dat hij ze in versche hersenen niet altijd gevonden heeft, en ik heb ze bij voorzigtig gepraepareerde doorsneden nooit te zien gekregen. Tusschen de diepere lagen van voltooide gangliënkogels loopen echter altijd primitiefbuizen in vrij groot aantal heen. Volgens Valentin Worden de gangliënkogels door lissen daarvan omvat en omsponnen. Deze diepere laag, waarin de gangliënkogels met buizen vermengd en de vaten minder talrijk zijn, is het, welke soms wegens hare afstekende kleur als eene bijzondere laag onder den naam van geelachtige of roodachtige zelfstandigheid is onderscheiden.

Op vele plaatsen zijn de gangliënkogels der centraalorganen met kortere of langere verlengsels voorzien, die zich weder eens of meermalen splitsen. Zoo worden zij gevonden in de zwarte zelfstandigheid der crura cerebri (Purkinje), in eene bijzondere graauwe laag van de opgerolde spiraalplaat van den ammonshoorn (Purkinje). In grooten getale en zeer regelmatig geplaatst de gele zelfstandigheid omgevende, doen zij zich overal in de bladen deikleine hersenen voor. Ilier is elk ligchaampje met het stompe, rondachlige uiteinde naar de gele zelfstandigheid toegekeerd; het andere einde, dat de verlengsels afgeeft, is naar buiten gerigl; meestal zijn het twee verlengsels, welke zich in de graauwe zelfstandigheid tot nabij de buitenste peripherie uitstrekken en zich hier verliezen (Purkinje). Valentin (4) vond ze in onderscheidene rijen geplaatst, zoodat de op elkander volgende rijen afwisselen. Elk afgerond uiteinde van de ligchaampjes der eene rij ligt namelijk midden tusschen de staartvorinige verlengsels van twee onmidd el ijk bij elkander liggende ligchamen der onmiddelijk voorafgaande rij. Eene soortgelijke laag bestaat, volgens Purkinje, in de buitenste schil van het corpus olivare der medulla oblonjala en in

(1) l'Institut, 1834, iV. 73.

(2) Beiliiïge, II, 2(i.

(3) t. a. p. p. 22.

(4) VerlauJ und Enden, S. 103.

Sluiten