Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

staat op elkander te werken, zoo dat óf de opwekking van de eene zenuw zich aan de andere mededeelt, óf de opwekking Tan de andere vermindert. liet geschiedt niet, zoo lang zij in de stammen nevens elkander liggen. Vrij algemeen wordt dit met een aan de electriciteit ontleend beeld zoo verklaard, dat de scheede der primitief vezels in de stammen isolerend werkt, doch in de centraalorganen fijner wordt en een overspringen van den prikkel niet verhindert. Deze verklaring is om meer dan eene reden onhoudbaar: 1. zijn de scheeden aan de fijnste peripherische zenuwvezels, b. v. in den n. opticus, niet dikker dan aan de vezels in de hersenen en het ruggemerg; 2. konden onder de gegevene onderstelling in alle gevallen de verschijnselen der sympathie, maar niet die van het antagonismus begrepen worden, die toch klaarblijkelijk uit hetzelfde beginsel moeten worden afgeleid; 5. is het in het algemeen niet te doen om te verklaren, waarom de vezels in de zenuwstammen niet op elkander werken, evenmin als het eenige opheldering behoeft, wanneer het eene ligchaam rustig blijft, terwijl het andere in beweging gebragt wordt; hetgeen ons verrast en verklaring behoeft, is veeleer, wat bij de eerstgenoemde meening wordt ondersteld, waarom de opwekking van de eene vezel op de andere overgaat. I)it vindt plaats, zoodra de zenuwvezels met de kogels van de graauwe zelfstandigheid in aanraking komen, en inderdaad weet men door de meermalen aangehaalde proeven van Yolkmann, dat elk gedeelte der graauwe zelfstandigheid geleidend is, en dat de prikkeling der gevoelzenuwen van de eene zijde des ligchaams op de spierzenuwen der andere zijde overspringt, wanneer de beide zijdelingsche ruggemergshelften op de eene of andere plaats nog door eene dunne plaat van graauwe zelfstandigheid zijn verbonden.

Zoo veel kan men omtrent de eigenschappen van de gangliënzelfslandigheid des ruggemergs proefondervindelijk vaststellen: zij oefent invloed op de voeding der zenuwen, en is de oorzaak, waardoor veranderingen van eene vezel op de nabijgelegene werken. Zoude men niet de tweede eigenschap als een in zekeren zin toevallig gevolg van de eerste mogen beschouwen? Wanneer de gangliënkogels noodzakelijke organen voor de voeding der zenuwen zijn, dan mag men onderstellen, dat verandering van eene ze-

Sluiten