Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en als grond voor de volgende overwegingen niet uit het oog verliezen , dat de toestand, welken men gewoon is rust te noemen , de toestand, waarin de levende, gezonde zenuw zich bevindt, wanneer zij aan zichzelve overgelaten en door geenerlei invloed aangedaan is, niet als eene volkomene werkeloosheid kan worden voorgesteld , maar als eenen matigen graad van opwekking in de aan elke zenuw eigendominelijke energie. In de meeste deelen van het spierstelsel uit zich deze matige opwekking, zoo als vermeld is, door eene aanhoudende zamentrekking, tonus, die zelfs in den slaap en in llaauwten niet ophoudt: de uit contractiel bindweefsel gevormde deelen bezitten daardoor eenen zekeren graad van vastheid en van vermogen om wederstand te bieden ; de vaten , uitlozingsbuizen en holle ingewanden trachten uit dien hoofde eene bepaalde doormeting te behouden ; de spieren van het aangezigt en van den tronk zijn in die mate van zwelling, die de levende ligchamen van de doode onderscheidt; de onderkaak is opgeheven, de sluitspieren zijn gesloten, enz. Bij wijze van uitzondering rijst en daalt in sommige spieren en spiergroepen de opwekking in langere of kortere tijdsruimten, zoo als in het hart, de ademhalingsspieren (1), dc sluitspieren der oogleden , en misschien nog op vele andere plaatsen , met name de bij vaten en ingewanden, waar dit minder in het oog loopt; mogelijk zou het ten minste zijn, dat de periodieke se- en excretiën van eenen periodiek verminderden tonus der vaten en eene periodiek verhoogde werkzaamheid der uitdrijvende spieren afhingen of daarmede ineenvielen. De laatste grond van zulke rhythmische afwisselingen kan niet in iets uitwendigs, niet eens in eene prikkeling van het zenuwstelsel door andere organen of systemen van hetzelfde ligchaam gezocht worden; zij zijn typisch, door het idee der vorming bepaald, zoo als alle tijdelijke toestanden in de ontwikkeling en het leven der organismen, als levensouderdom, regeneratie der weefsels, kiemvorming, enz. De wederkeerig afwisselende werking der organen is slechts condilio siue qua non der voeding, en alzoo ook van de verrigtingen van

(1) Na verlamming der ademlialingszenuwen voor den wil kan dien ten gevolge de rhythmische beweging der ademhalingsspieren even zoo goed voortduren, als in andere spieren, die door beleediging aan den invloed van den wil onttrokken lijn, de toqifclie lamentrekking voortduurt.

Sluiten