Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelijk is (1). Wanneer dien ten gevolge de zintuigelijke voorstellingen zich met de objective verschijnselen niet tot een eenvoudig geheel kunnen verbinden, dan sluiten zij zich wederkeerig uit, en gevrooniijk hebben de laatste, als de sterkere, de overhand. Slechts weinige menschen kunnen zich, met opene oogen en bij helder licht, een beeld, eenig gezigt of eenige gedaante van een bekenden persoon willekeurig voorstellen ; nagenoeg niemand kan , terwijl hij eene melodie hoort, zich eene andere herinneren; hij zou ze zich alsdan hardop moeten voorzingen , en haar op die wijze ook tot objective sterkte moeten verheffen : daarentegen baden wij in gezigtsvoorstellingen bij het aanhooren eener symphonie, en fluiten eene melodie, of laten haar in het oor gonzen bij de meest ingespannen werkzaamheid van het oog. .Nog meer verhindert inde andere zintuigen een objective indruk de voorstelling van eenen anderen. Alle spelingen van den blik, wanneer men zich bezig houdt met voorstellingen, hebben slechts ten doel om de levendigheid van het subjective beeld ten koste van het objective te verhoogen : van daar het sluiten der oogleden , het rimpelen van het voorhoofd, het staren naar de zoldering of in de verte, enz. Bij geopende oogen brengt men de flaau we beelden van de voor te stellen voorwerpen meestal niet in het midden van het gezigtsveld voort, waarin de objective gewaarwordingen het naauwkeurigst zijn, maar in de weinig en onregelmatig verlichte zijdelingsche gedeelten

(1) Eene schijnbare uitzondering maakt liet oor; ik zeg schijnbaar, want er lijn twee hypothesen mogelijk, om de algemeene wet ook hier te regt te helpen. Men neemt óf aan, dat, zoo als in het oog, de verschillende indrukken verschillende plaatsen in de verspreiding der gehoorzenuwen treffen en alzoo naast elkander gevoeld worden, hetgeen niet tegen de physisclic voorwaarden van het hooren strijdt; óf men moet de combinatie weder als eenvoudige energie beschouwen, waarvan de elementen slechts gemakkelijker willekeurig kunnen worden gescheiden, dan de elementen der zamengestelde kleuren. Reuk en smaak zouden in dit opzigt den overgang van het srezigt tot het gehoor vormen. Inderdaad is door eiken toon eigenlijk een acooord gegeven, en de eerste is slechts de uitwendige prikkel, die de geheele melodie in het oor opwekt. Voortzettingen der melodie, waaraan gebrekkige harmonische opvolgingen ten grondslag liggen, zijn daarom even zoo onverdragelijk als deze. De mogelijke verbinding van geluiden tot eene eenvoudige perceptie schijnt uit het bekende feit te blijken, dat lieden met beginnende nerveuze doofheid in eene omgeving vol gedruisch beter hooren (verstaan) dan in eene rustige omgeving.

III. 10

Sluiten