Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarvan; van daar dat de oogen zich dikwijls onwillekeurig ter zijde wenden, als zoude daardoor de flaauwe gewaarwording duidelijker worden. Waren er bij de voorstelling andere organen werkzaam dan bij de objective gewaarwording, dan zou het wel is waar te begrijpen zijn, hoe de laatste in het algemeen de eerste in den weg kan staan, maar niet, waarom de affectie van het enkele zintuig juist en alleen de tot zijn gebied behoorende voorstellingen niet zou laten opdagen. Of het oog, zoo lang het zich met voorstellingen bezig houdt, voor indrukken van buiten gesloten is, is moeijelijker empirisch aan te toonen; dat men onder die omstandigheden het objective niet waarneemt, laat zich reeds verklaren uit de onmogelijkheid om de opmerkzaamheid op onderscheidene voorwerpen gelijktijdig te vestigen. De volgende proef zou in dit opzigt beslissend zijn, indien iemand genoeg energie van wil bezat, oin haar uit te voeren. Men zou zich, terwijl het opene oog, zonder te fixeren , op eene éénkleurige vlakte rust, zich eene andere kleur moeten voorstellen; dan mogt, als men het oog sluit, het nabeeld van de eerste kleur zich niet voordoen. Voorliet overige zou ook eene complicatie van het voorgestelde beeld met het objective kunnen plaats hebben. Bij voorstellingen van vormen is dit ligt te begrijpen , en inderdaad is het minder moeijelijk, met opene oogen vormen, dat zijn omtrekken op den gekleurden grond der buitenwereld, voor te stellen, dan kleuren. Misschien doen zich zelfs gekleurde oppervlakten in de voorstelling zoo voor, als bijv. de vinger in het gewone gezigtsveld , wanneer men hem bij het fixeren van een ver afgelegen voorwerp voor het eene oog houdt, waarbij zich slechts de buitenste gedeelten gekleurd, de middelste doorschijnend en nagenoeg kleurloos voordoen.

5. Darwin merkt op (1), dat men bij het ontwaken minder door het daglicht verblind wordt, wanneer men veel van zigtbare voorwerpen gedroomd heeft. » Dit kan ," zegt hij verder , » door een ieder op den dag beproefd worden. Men sluite de oogen en bedekke ze met den hoed ; men denke eenige minuten aan eene melodie, en trachtte deze met zoo weinig inspanning van den geest, als mogelijk is, te zingen. Op eens neme men den hoed van de

(1) Zoonomie, I, 1, S. 377.

Sluiten