Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trekking hebben, behoort eigenlijk niet tot den kring van ons tegenwoordig onderzoek ; maar ik moet toch in het kort van eene eigendommelijkheid van het gezigts- en tastzintuig melding maken , die tot gevolgtrekkingen omtrent het fijnere maaksel dezer organen en van het zenuwstelsel in het algemeen heeft geleid: ik bedoel het bewustzijn van ruimte. Elk zintuig-orgaan bestaat uit een zeker aantal van homogene vezels; maar inden neus, de tong, en waarschijnlijk ook in het oor, schijnen alle vezels telkens op gelijke wijze te reageren, of ten minste hare gewaarwording in eenen enkelen indruk te doen overgaan ; door het aantal der gelijksoortig aangedane vezels wordt slechts de intensiteit der gewaarwording verhoogd, en daarom kan een gedeelte der vezels verlamd zijn oi ontbreken, zonder dat daaruit voor het organisme een gemis voortvloeit. In het oog en in de taslzenuwen wordt wel is waar in de eerste plaats ook de intensiteit der gewaarwording door de hoeveelheid der gelijktijdig werkzame vezels bepaald; de hevigheid van pijnen rigt zich naar het aantal aangedane zenuwen: het licht wordt sterker waargenomen, wanneer beide oogen geopend zijn, dan wanneer slechts een enkel oog daaraan blootgesteld is; te gelijk echter komt de specifieke opwekking van de enkele punten der zenuwuitbreiding afzonderlijk tot het bewustzijn , en de som van specifiek opgewekte punten wordt in eene vlakte naast elkander en in betrekking tot elkander voorgesteld. Wanneer hier een gedeelte der zenuwuitbreiding verlamd is, dan maakt zich dit als eene gaping in de voorgestelde vlakte kenbaar. Deze eigendommelijkheid van het gezigts- en tastorgaan verklaart men op die wijze, dat in de cutis en in de retina de zenuwvezels hare uiteinden , of als het ware hare punten, naar de buitenwereld loekeeren , dat deze uiteinden, naast elkander gerangschikt, eene soort van mozaiek vormen, die uit zoo vele punten met een bijzonder gevoel bestaat, als er zenuw-uiteinden aanwezig zijn , dat van het peripherische uiteinde van elke vezel, door de geheele vezel heen, de indruk onvermengd naar het centrale uiteinde geleid wordt, en zich van daar uit aan het sensorium mededeelt, waarin eene soortgelijke hoeveelheid van op gelijke wijze gerangschikte punten aangenomen wordt, die begaafd zijn met het vermogen om bewust te gevoelen. Deze meening laat zich, met hetgeen de jongste onderzoo-

Sluiten