Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat de werkzaamheden van het denkorgaan niet blootelijk sympathiën in de ligchaamszenuwen opwekken, maar dat ook, naargelang van den specifiéken vorm zijner werkzaamheid , andere en nogmaals andere ligchaamszenuwen tot medegevoel gebragt worden. Welke gedeelten van het zenuwstelsel bij het denken medewerken , en in welke wijze van opwekking zij dit doen, hangt niet alleen van den graad , maar ook van den vorm der prikkeling van het ziels— orgaan af, en daarin schijnt zich dit orgaan wezenlijk van de overige zenuwen te onderscheiden (1). Waarom echter een bepaald begrip juist deze en geene andere ligchamelijke werkzaamheid voortbrengt, is niet verder te verklaren en is ook niet verklaard, wanneer de werking daarvan op het ligchaam in die mate doelmatig schijnt, als zij dit in de aangevoerde gevallen niet schijnt. Gedachten, die op het geslacht betrekking hebben, veroorzaken eigendommelijke gewaarwordingen in den bilnaad, erectie en congestie in de klieren der genitaliën ; op gedachten , die door het zien van spijzen worden opgewekt, trekken zich de uitlozingsbuizen der speekselklieren zamen; op gedachten bij het aanzien van den zuigeling drijven de uitlozingsbuizen der mclkklieren haren inhoud uit; de herinnering van eenen walgelijken smaak veroorzaakt neiging tot braken, enz. Dit alles is wel teleologisch te verstaan, maar van het oorzakelijk verband tusschen deze begrippen en deze bewegingen

(1) In zoo verre men de sympathiën van de ligchaamszenuwen onder elkander, afgescheiden van den invloed van het deuken, kan beoordeelen, schijnt de mededeeling slechts volgens contiguileit plaats te hebben, en de uitbreiding zich alleen naar de sterkte der opwekking te regelen. Wel is waar is bij de zintuigen de hoedanigheid der opwekking niet onverschillig: krassende gehoors-indrukken bijv. hebben geheel andere gewaarwordingen en bewegingen ten gevolge dan muzikale, al zijn deze ook veel sterkere geluidsgewaarwordingen. Ook kan men bij eene menigte van figuurlijke voorstellingen eene betrekking van bepaalde aanschouwingsvormen van verschillende zintuigen tot elkander aantooncn. Wij spreken bijv. van eene koude, warme en brandende, van eene schreeuwende of schitterende kleur, van eenen brandenden of bijtenden smaak, van harde en zachte melodiën, van booge en lage toonen, enz. Maar in al deze en soortgelijke gevallen is het aandeel der" ziel niet uit het oog te verliezen, en is het onmogelijk waar Ie nemen , of deze analogiën onmiddellijk op de betrekking der zintuigen tot elkander berusten, dan wel daarop, dat de bepaalde zintuig-energie een bepaald begrip en dit 'weder eene daaraan beantwoordende energie in het eene of andere zintuig opwekt.

Sluiten