Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staande vezels der ligchaamszenuwen zegt Yalentin, dat er eene zeer fijfi korrelige massa in kleine hoeveelheid aan haar is vastgehecht: of deze massa builen op of binnen inde cellen geplaatst is, blijkt uit zijne woorden niet; ik vermoed echter het eerste, en neem aan, dat de fijnkorrelige massa de eerste grondlaag van het zenuwmerg is. Hierom zoude zich, even als om de fibrillen der spierbundels, ten laatste een membraneus omhulsel vormen, waarin zich celkernen of ook vezels zouden kunnen ontwikkelen. De primitiefbuizen zijn dien ten gevolge onder de weefsels te tellen, die ik gecompliceerde bundels genoemd heb. Het is mogelijk, dat, even als bij de haren en spieren , de ascilinder in de fijnste buizen van den beginne af aan ontbreekt, in andere door de bastzelfstandigheid wordt verdrongen; op die wijze zouden zich de tegenstrijdige resultaten van het onderzoek van voltooide zenuwen verklaren.

De zenuwen groeijen niet van de hersenen uit naar de peripherie toe ; maar de cellen , waaruit zij ontstaan, zijn van het begin af aan in elk gedeelte van een orgaan met de overige cellen vermengd. De ontwikkeling van het merg zou echter, volgens Sciiwann (1) , van de stammen uit naar de peripherie toe voortgaan. In de staarten van jonge kikvorschlarven liggen voltooide zenuwvezels in het midden van den staart, en naar de peripherie toe , worden zij fijneren bleeker. Volgens eenige door Harting medegedeelde metingen (2) neemt met den groei van het ligchaam de dikte der primitiefbuizen toe. Hare gemiddelde doormeting in den n. ischiadicus bedroeg bij eenen jongen kikvorsch 0,0022"', bij eenen volwassenen 0,0056"', bij eene jonge pad 0,0021"', bij eene volwassene 0,0044'". Zijn de zenuwen van het embryo fijner, dan moeten zij ligter varikeus worden en het merg moet zich gemakkelijker in afzonderlijke droppels scheiden. Dat dit inderdaad het geval is, kan men uit de waarnemingen opmaken, waardoor Remak zich liet verleiden, om de varikeuze zenuwen en de zenuwen met afgebroken merg voor vroegere ontwikkelingstrappen der primitiefbuizen aan te zien.

De twijfelingen, die zich met betrekking tot de zenuwbuizen

(1) t. a. p., S. 177.

(2) v. i). Hoeven en de Vriese. Tijdschr. VII, 214.

Sluiten