Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beschreven, naar eigene onderzoekingen , ouk nog Barba (Osset v. microscop. 1807; Reil's Arehiv, X, 459), de gebroeders Wenzel (De penitiori cerebri structura, 1812, p. 27), IIome en Gaoer (Phil. trans. 1821, p. 25), Carcs (Seiier's Nalurlehre, 182G, Taf. I, fig. 8), schoitze (Vergl. Anat. 1828, S. 120), E. II. Weber (Hildebr. Anat. I, 1830, S. 2G1), Kracse (Anat. I, 1833, S. 31) en Mayer (Seelenorg. 1838, S. 58).

Volgens Kracse liggen de kogeltjes in de graauwe zelfstandigheid afzonderlijk, in de witte in rijen, deels afzonderlijk, elkander niet aanrakende, deels aan elkander rakende en bijna ineenvloeijende. Zoo vormen zij fibrillen; een aantal fibrillen leggen zich aan elkander, vorden door eene laag van de taaije massa aaneengekleefd, en daardoor ontstaan de Fibrae ncrveae (primitiefbuizen). iiobgkin en Lister (Froriep's Notisen, 1827, S. 247) vonden in de hersenen, wel is waar, ook onregelmatige korreltjes van verschillende grootte, maar gaven het vermoeden te kennen, dat zij een product van beginnende desorganisatie konden zijn. Raspaii (Brescdet, Repert. '1'. IV, 1827; IIedsinger's Zeitsclir. II, 309) beschreef de zenuwdraden weder als buizen, uit een doorschijnend vlies en eenen klcverigen, elastischen inhoud, die uitgeperst kon worden.

Van het jaar 1833 af, sedert het gebruik van het mikroskoop meer algemeen werd, ontstond er ook in de onderzoekingen omtrent het zenuwstelsel een nieuw leven. Voorzeker heeft zich met het aantal feiten ook het aantal dwalingen vermeerderd; maar zelfs deze dwalingen waren leerrijk; daarenboven heeft de laatste tijd eenige onderzoekingen van blijvende waarde aan te wijzen.

Edrenberg (Poggend. Annalen, Bd. XXVIII, 1833, S. 451, Taf. VI; uitvoeriger en met afbeeldingen in het jaar 1836 in de geschriften van de Berl. Akad. en afzonderlijk afgedrukt onder den titel: Auffallende und unerkannte Structur d. Seelenorganes) ging van het onderzoek van de graauwe zelfstandigheid der hersenen uit. Hier vond hij, behalve de grootere korreltjes (cytoblasten), fijnere kogeltjes, door weeke draden in rijen verbonden. Als voortzettingen hiervan vertoonden zich in de mergzelfstandigheid de varikeuze of gelede buizen of kanalen, parelsnoeren , waarvan de parelen elkander niet aanraken , maar door eenen draad gescheiden zijn. Van haren inhoud zou de melkachtige kleur afkomstig wezen. De varikeuze vezels van de bastzelfstandigheid bezitten alleen de wanden der buizen, niet den inhoud. Uit varikeuze huizen bestaan ook de hoogere zintuigzenuwen en een gedeelte van den sytnpathicus ; in de wortels van de overige zenuwen komen varikeuze vezels met cilindrische vermengd voor, en gaan allengs hierin over; de cilindrische vezels onderscheiden zich door de wijdere holte, en bevatten, ook in verschen en levenden toestand, een korrelig merg, dat zich door drukking laat uitdrijven, ëhrenberg onderzocht de hersen- en zenuwzelfstandigheid , op die wijze, dat hij ze door drukking tusschen glasplaatjes uitbreidde en met water verdunde: dien ten gevolge deden zich de fijnere zenuwen aan hem varikeus voor, en de inhoud der dikkere gecoaguleerd. Daar hij nu de geeoaguleerde zelfstandigheid voor merg houdt, komt hij ten laatste tot het resultaat, dat de hersenen niet uit zenuwmerg bestaan (Unerkannte Structur, S. 39).

De varicositeiten van de hersen- en vele zenuwvezels werden al spoedig een onderwerp van levendigen strijd. Zij werden bevestigd door J. MiitLER (Arcliiv,

Sluiten