Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

evenwijdige loopende binnenste lijn voor de buitenste begrenzing van den inhoud (II, 29, 38, IV, Fig. 11), eene dwaling, waaraan zich nog'in den jongsten tijd Kraüse heeft schuldig gemaakt (Anat. 2te Aufl. ,T, 1831, S. 49, 50). De scheede wordt dien ten gevolge veel te dik opgegeven. Alleen bij de reukzen uw vezels van het lijk eens menschen (II, 34, IV, fig. 26) schijnt Trevirands het geval voor zich gehad te hebben, dat het zenuwmerg zich in enkele kogeltjes gescheiden heeft en de eigenlijke scheede daartusschen ledig heeft achtergelaten.

Yalentjn (Verl. u. Enden , 1836) en Emmert (Endigung d. Nerven, 1836, S. 9) zijn de eersten, van wie men met zekerheid beweren kan, dat zij het vliezig omhulsel van de hersen- en zen uw vezels gezien hebben. In lig. 7 en 8 geeft Valentin afbeeldingen van primitiefbuizen, waarvan de inhoud door drukking in kogeltjes gescheiden is, waarover de scheede zich onafgebroken voortzet. Ilij merkt op (S. 41), dat de fijnere, aan den buitensten omtrek evenwijdig loopende lijn in de varikeuze draden der hersenen niet als de binnenste grens van een wand beschouwd kan worden, daar eene soortgelijke lijn zich aan de door vernieling der vezels ontstane kogeltjes vertoont. Daarentegen zag hij na de uitpersing van den lichten inhoud, die terstond draden vormt, varikcus wordt en de dubbele begrenzing vertoont, twee fijne lijnen overblijven, die de ledige scheede aanduiden. Deze scheen hem zamengesteld uit overlangs loopende bindweefsel vezels (S. 20); de overlangsche strepen in fig. 17 schijnen ongetwijfeld daarvoor te pleiten, maar behooren misschien tot de bindweefselscheede van cenen secundairen bundel. Emmert verscheurde met eene naald de zenuwvezel, waarop de inhoud naar buiten kwam. Na de verwijdering van het klompje deed zich de vezel aan het geopende einde als eene zamengevallene, vliezige buis voor. Door drukking drong hij het zenuwmerg aan beide zijden van de naald terug; nadat de drukking opgeheven was, vloeide het weder bijeen. Na behandeling met zoutzuur ontstonden in de zenuwvezels van den kikvorsch insnoeringen, waaruit Emmert het besluit opmaakt, dat er kringwijze vezels bestaan, die zich sterker zamentrekken; maar dit kon ook het gevolg van eene ongelijkmatige stremming zijn. Den naar buiten getreden inhoud beschrijft Valentin, geheel overeenkomstig de natuur, als eene onregelmatig korrelige massa, die deels gebogene draden, deels geïsoleerde, onregelmatige ligchaampjes vormt, waartusschen zich olieachtige, doorschijnende, ook varikeus opgezwollene draadachtige vormsels en kogels van dezelfde stof bevinden. Dit alles zouden slechts veranderingen van eene oorspronkelijk lichte , kleurlooze, doorschijnende en olieachtige zelfstandigheid zijn. Ook het geval, waarin de uitgeperste inhoud van eene vezel langs haar geheel beloop of een eindweegs in het midden onveranderd blijft en slechts aan de zijden het begin van de genoemde veranderingen ondergaat, is door Valentin waargenomen (fig. 15). De varicositeiten aan de peripherische zenuwvezels en de zenuwwortels verklaart hij voor eene toevallige en eerst door drukking plaats hebbende verandering, ten gevolge van eene ongelijkmatige loslating van de teedere scheede, die gemakkelijk in hare draden wordt gescheiden (S. 24); en hoewel de wijze, waarop hij over de varicositeiten van de vezels der hersenen (S. 39) en der reukzenuwen (S. 52) spreekt, zou kunnen doen gelooven, dat hij ze voor oorspronkelijk hield, zoo beschrijft hij toch later (S. 93) uitvoerig, hoe hij door drukking de vezels in

Sluiten