Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liet Jaeobs-vlies met de retina zouden vercenigen, zijn mij niet voorgekomen. ehrenberg (Poggekd. AntiBd. XXVIII, 1833,S.457, Unerk. Struct, S. 28, 35, 39) gewaagt, behalve van de korreltjes, die de uitbreiding van de gezigtszenuw van voren bedekken, ook van zekere staaf- of kolfvormige ligcliaampjes, welker zamenhang met de vaten en zenuwen onduidelijk bleef. Deze zijn, ten minste ten deelc, niets anders dan de staafjes van de achter de gezigtszenuw gelegene laag. R. AVagner (Bcrdacii's Phys. 1835, S. 143) beschreef ze het eerst als eene zamenbangende laag van de eigenlijke retina, en wel, zoo als zij zich voordoen, wanneer zij zich hebben omgeslagen. Achter de korreltjeslaag van de retina noemt hij eene laag van digt opeengedrongene vezels, die eene eenvoudige laag vormen, welke hij met de lijnen van de liuid aan de binnenvlakte der vingertoppen vergelijkt. Zij schenen altijd afgezonderd te loopen en zich niet te vereenigen, hadden eene liniaire begrenzing, even als celweefseldraden, en schenen meermalen onduidelijk geleed of ingesnoerd; enkele zag men aan den rand, waar zij ligt afbraken.

Ik maak hier nog van Langenbeck melding, die zijne dissertatie De retina wel is waar eerst in 1836 uitgaf, maar zonder van de ontdekkingen van Trevirancs kennis'te dragen. Hij geeft drie lagen van de retina op (p. 63), eene achterste korreltjeslaag, eene tweede flbreuze en eene derde vaatlaag. De beide eerste bestaan uit de varikeuze zenuwbuizen en de uit baar merg gevormde kogels; misschien zijn onder de korrels van de korreltjeslaag ook de opgerolde staafjes mede begrepen.

Treviranos (Beitr. 11, 1835, S. 42; 111, 1837, S. 91; IV, fig. 30 -37), die de staafjes ten deele in hunnen opgerigten toestand onderscheidde, verklaarde ze voor devrije, peripherische uiteinden van de primitieve zenuw buizen, en noemde ze papillen, om aan bare met de gevoel Lepeltjes der huid en tong analoge beteekenis te herinneren. De primitiefvezels der retina zouden zich digt naast elkander liggende op het netvlies uitbreiden, op eene bepaalde plaats van haar beloop de "horizontale rigting verlaten, tot de vertikale naderen, onder een schuinschen hoek naar de tegenovergestelde binnenvlakte van het netvlies overgaan, en hier als cilindrische, breede papillen eindigen. De papillen zouden nog een scheedevormig overtreksel door een verlengsel van de vaatplaat verkrijgen. Aan enkele stukken ontbraken dikwijls de tepelvormige uiteinden; Ihevirancs vermoedt, dat deze zicli afgezonderd hadden en aan het glasachtig ligchaam waren blijven kleven. Bij den kikvorsch kwamen de papillen uit donkere strepen, even als de vezels van eene veder uit bare schacht, te voorschijn. Bij de meeste zoogdieren en vogels kwam het hem voor, dat in elke papil slechts eene enkele zenuwbuis eindigde; bij den mol, de zwaan en de koudbloedige gewervelde dieren waren echter de papillen veel dikker dan de zenuwvezels, en bij den snoek (III, 95) zag hij den oorsprong der draden, -waarvan de papillen de buitenste uiteinden zijn, uit twee dunnere buizen knievormig omgebogen, en op de plaats der ombuiging kogelvormig opgezwollen staafjes. De bekende uitstralingen van de gezigtzenuw, in het netvlies van bet konijn en den haas, verklaarde Trevirancs dien ten gevolge voor vaten.

Ofschoon na hem niemand in slaat was den zamenhang van de staafjes der retina met de primiticfvezels van den opticus aan te toonen, zoo kwamen zijne

Sluiten