Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TiiKTlRANCS cn GonscnE hebben opgegeven , dat du staafjes na den dood in kogeltjes veranderen, Mater, dat zij zich krommen; ik vond, dat dit oprollen aan de voorste punt begint, en in eivvillioudend water slechts langzaam voortgaat, zoodat een tijd lang alleen liet voorste einde verdikt of kolfvormig opgezwollen is of een kogeltje schijnt te dragen, terwijl de versche staafjes geheel en al regt zijn. piemak (MiilLER'S Arc/iiv, 1839, S. 165) bragt nogtans de papillen weder ter sprake, als in de breedte uitgerekte tusschencellen tusschen de in rijen bij elkander gelegene langere cellen , de staven. In grootere dieren zouden zij door eene dwarse spleet van de staven gescheiden zijn; zij laten zich echter niet gemakkelijk afscheiden, en bij de afscheiding ziet men, dat een fijn draadje uit het binnenste van het staafje in de papil overgaat, liet komt hem namelijk voor, datde staafjeslaag eene over het geheele netvlies, ook over de plaats, waar de gezigtszenuw naar binnen gaat, zich uitstrekkende laag is van regelmatige, lijnregte vezels met menigvuldige dwarse spleten, terwijl alle staven elkander wederzijds met hare uileinden zouden aanraken , cn meer of minder vast met elkander vergroeid zouden zijn. Even alsGoTTSCUE, laat hij de vezels uit een gemeenschappelijk middelpunt uitstralen; ook zouden cr verlakkingen van enkele vezels voorkomen. De staven of stukken der vezels zouden stijf en broos zijn; met Mater schrijft hij haar eene soort van willekeurige beweging toe. Remak heeft ook de werkelijke zenuwvezels en hare plexus gezien, maar verplaatst ze naar de achterste zijde van de staafjeslaag. Als derde en achterste laag van de retina beschrijft hij, in overeenstemming met Muller, groote cellen, waarschijnlijk minder opgevulde pigmentcellen. Remak verklaart vrij zeker overtuigd te zijn, dat de zenuwbuizen niet in de staven ombuigen; wat hij ten deele uit zijne onj nis Ie beschrijving. te regt echler ook uit de tegenspraak afleidt, die zich bij de vergelijking van de verhoudingen der grootte voordoet, zoo als b. v. dat de primitiefzenuwbuizen van den lukvorsch 4 maal dunner zijn dan die van het konijn, en omgekeerd de slaven bij gene 4 maal dikker zijn dan bij deze. In eene aanmerking over dit opstel, waarin ik de door Remak voorgedragen dwalingen omtrent den aard der staafjes verbeterde, deelde ik tevens eenige feiten mede, die mij, al zij het ook indirect, schenen te bewijzen, dat Trevirancs juist gezien heeft. Daar ik de staafjes van vele dieren naar achteren in eenen bleeken draad verlengd zag, die zich in water evenzoo oprolde en zich als een daarop geplaatst kogeltje voordeed (de door eene dwarse streep gescheiden papil van vroegere waarnemers), daar cr staafjes voorkwamen, die veel langer waren dan de overige, en daar zich, nabehandeling met azijnzuur, langere slaafjes vertoonden, beschouwde ik de staafjes, zoo als zij zich gewoonlijk voordoen, als fragmenten van langere vezels; dat de bleeke draad in eenen stompen hoek het staafje verliet, was mij een bewijs voor het ombuigen der vezels op eene zekere plaats. De overeenkomst der staafjes in optische en hygroskopische eigenschappen met korte stukjes van fijne zenuw vezels cn de op de ombuigingsplaatsen der staafjes zich vertoonende varicositeiten pleitten naar mijne meening voor eene overeenstemming in chemische geaardheid. Den biceken draad aan de staafjes vergeleek ik met de zamengevallen scheeden van dc zenuwhuizen, waarvan zij voorzeker door hare gladheid genoegzaam verschillen.

Sluiten