Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der staafjes «as reeds boven sprake. Daar werd ook medegedeeld, welk nieuws de dissertatie van Lersch, De retina structura microscopica, lierol. 1310 , omtrent de staafjes van de retina bij den kikvorsch bevat.

Eene wezenlijke ontdekking in de anatomie van bet zenuwstelsel behoort alleen tot den nieuwsten tijd: ik bedoel de gangliënkogels en de waarschijnlijk analoge kogels van de graauwe zelfstandigheid der centraalorganen. Men was zonder mikroskopisch onderzoek zooveel te Meten gekomen, dat de zenuwvezels door de gangliën heen gaan en slechts vlechten daarin vormen, en dat de mazen van deze vlechten door een weefsel van eene andere soort worden opgevuld. Winslow, Johnstopï en vele oudere ontleedkundigen vergeleken dit weefsel met de graauwe liersenzelfstandigbeid; Haase (De gangliis nervorum, Lips. 1772; Lddwig , Script, neur. min. X, p. 74) noemt het blootelijk celweefsel, Scarpa (Anntom. adnot. 1779, Lib. I, § VI) beschouwt het als een celweefsel, dat bij mageren met eene slijmachtige, bij vetten met eene olieachtige stof is opgevuld. Volgens Wbtzer (De gangliorum jabrica et usu, 1817, p. 5/) bestaat het uit cellen of blaasjes, die altijd met eene eigendommelijke, geleiachtige taaije pulpa zijn opgevuld; vet ligt er wel bij vette lijken binnen in Je tunica propria, maar niet in de holte der cellen of blaasjes zelve, wier inhoud nimmer verandert. Gelatineus noemt ook Lobstein (Nervi symp. fubr., 1823, p. G5) de substantia propria der gangliën. EnRENBEr.g (Poggend. Ann. 1833, XXV11I, S. 458) zag bet eertt inde spinaalgangliën bij vogels, behalve de zenuwen, groote, bijna kogelvormige (0,02"' dikke) onregelmatige ligchamen; hij vergelijkt ze bij eene klierzelfstandigheid, en stelt ze met de kalkzakjes van den kikvorsch op eene lijn; in de gangliën van den sympathicus vond bij alleen fijnere en dikkere gelede buizen en fijne korreltjes, even als die, -welke de retina bedekken, en hij maakt, terwijl bij het resultaat omtrent het maaksel der gangliën mededeelt, van de korrels in bet geheel geene melding. Op de VIIe plaat van zijne latere uitvoerige mededeeling (Vnerk. Struct. 1836) zijn de gangliënkogels van onderscheidene ongewervelde dieren afgebeeld; in de verklaring der afbeeldingen worden zij als knodsvormige, troebel gevulde organen vermeld. LaüTH (l Institut, 1834, N°. '3J vindt tusschen de buizen der spinaalgangliën groote, ronde, elliptische of onregelmatige massa's van graauwe zelfstandigheid, scherp begrensd; in het ganglion cetvicale supremum daarenboven kleinere kogeltjes, even als in de hersenen. De eerste juiste beschrijving van de gangliënkogels gaven Valentin (Verlauf uml Enden der Nerven, 1836, S. 77, 88) en pcrkinje (Bericht über die Versammlung in Prag.

1838, S. 179). Zij beschrijven hunne verlengsels en de celachtige omhulsels. Remak (Sysl. nerv. structura, 1838 , p. 8) liet van de gangliënkogels.iijne organische vezels ontspringen, en moest derhalve het bestaan van de celachtige omhulsels loochenen, eene dwaling, die door Valentijï (Hepert. 1838, S. *3, en Muller s A/cliiv,

1839, S. 150) op die wijze werd verklaard, dat Uemak deels de ware korte verlengsels der gangliënkogels voor organische vezels, deels aanhangende vliesstukjes van de celachtige scheede voor verlengsels van de gangliënkogels beeft aangezien. Eenige bijdragen tot de kennis van deze elementen leverden ook Volkmann (Müller's Archia", 1838, S. 291) en ScnwAMï (Mikrosk. Unters. 1838, S. 181). Het bestaan van de celscheede der gangliënkogelsbevestigde Rosentbal granulosa,

Sluiten