Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1839, p. 19). Wat Berres (Oeslerr. Jalirb, XXII, 1340, S. 417) als » Dunstzeilen aus der Wesenheit der Gangliën" beschrijft, alsmede de infusoriën, die Magendie (Sffst. nerv. 1839, II, 340) uit de spinaalgangliën door drukking te voorschijn brengt en met de Monas punctum vergelijkt, schijnen evenzoo gangliënkogels te zijn.

Omtrent de kogels der centraalorganen verstond men zich niet zoo goed. Wat Ebrenberg als korreltjes van de bastzelfstandigheid beschreef (Poggend. Ann. XXVIII, 1833, S. 451), zijn deels de fijne korreltjes der tusschenzelfstandigheid, die hij echter van de opzwellingen der varikeuze vezels niet onderscheidt, deels de eigenlijke celkernen. De laatste heeft ook Emmert waargenomen (Endigungsweise der Kerven, S. 8), maar voor openingen in de korrelige zelfstandigheid aangezien; cene dwaling, die naauwelijks te vermijden is, wanneer men de doorsnede niet zoo fijn maakt, dat men geïsoleerde kogeltjes aan den rand te zien krijgt. De verklaring van zijne kolfvormige ligchaampjes (Taf. II, flg. 15) in liet ruggemerg van het konijn is moeijelijkcr. Hij houdt het voor mogelijk, dat de lijnen, die de kolven schijnen te begrenzen, hogen van fijne vereis zouden zijn; zulke regelmatige ombuigingslissen zouden echter door anderen niet over bet hoofd gezien zijn. Misschien zijn bet in de lengte uitgetrokken droppels van naar buiten getreden zenuwmerg, even als de lakkige en kolfvormig opgezwollen hersenvezels bij Kuren berg (Unerh. slructur, S. 20, Taf. II, Fig. I, a, e.2,b en andere) en bij ReMAK (Observ. Tab. II, fig. 32, 33). BordaCII (Beitr. S. 34) heeft bet ontstaan van zulke vezels, die er als varikeuze kunnen uitzien, reeds juist aangetoond. Volksjann (Beitrage, S. 4) onderscheidt twee soorten van kogeltjes in de hersenmassa, doorschijnende met dubbele omtrekken, droppeltjes van het zenuwmerg, die bij zelf voor oliedroppeltjes verklaart, en onregelmatige, met donkere stippen gevulde klompjes. Pcrkinje ontdekte de met de gangliënkogels overeenkomende, gesteelde kogels in de hersenen. Valentin [Vei lauf und Enden, S. 99) beschreef ze naauwkeurig, maar nam ook in de buitenste laag van de bastzelfstandigheid volkomen gelijk gevormde kogels aan, dewijl hij vooronderstelde, dat de fijnkorrelige gesteldheid van de graauwe zelfstandigheid eerst door verbrijzeling van de kogels ontstond ; cene zeer weeke, celweefselachtige stof zou ze van elkander scheiden, en daarom zouden de afdeelingen tusschen de kogels ligt vernietigd worden. Porkinje (Bericht der Natuif. in Prag, S. 180) onderscheidt behalve de gangliënkogels grootere, uit eene gestippelde massa bestaande korrels zonder celkern in de graauwe zelfstandigheid van de kronkelingen, waarschijnlijk klompjes van de grondzelfstandigbeid, die eene of meerdere kleine celkernen volkomen omhulden. Verder doorschijnende, ronde en rondachtig-hoekige ligchaampjes van wasachtige consistentie aan de lamina cribrosu en stria cornea, die ik volgens de afbeelding alleen voor zenuwmerg-droppeltjes houden kan. De knodsvormige ligchamen met verlcngsels, die J. Mülier in het ruggemerg van eenen in wijngeest bewaarden Petromizon vond en met kruidnagels vergelijkt, zijn ook wel identiscb met de gesteelde gangliënkogels van Pcrkinje (Arcli. 1837, S. XVII). In de hersenen van den kikvorsch nam Dütrocbet [Mém. p. servir a l'hist. etc. 1837, II, 473) digt opeengedrongen, met stippen overdekte cellen waar, die hem toeschenen met de plantencellen overeen te komen. E. Bürdach nam in

Sluiten