Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kannen naar omstandigheden voor vrij geworden ascilinders of voor ontledigde omhulsels aangezien -worden. Grootere hoeveelheden van uitgetreden merg veranderen door water somtijds in lagen van dunne concentrische vliesjes, die er even als ophoopingen van fijne vezels kunnen uitzien. Ja zelfs de achtergebleven sporen der vezels kunnen tot vergissing aanleiding geven, daar de glasplaatjes op plaatsen, vanwaar de vette stof zich heeft teruggetrokken, geen water opnemen.

U. Wagner (Neurolog. Unters., Göllinger Nacltr. 1850, No. 4) neemt tussehcn de brokkelige buitenste laag zenuwmerg en den ascilinder eene derde, met den ascilinder, naar gelang der verschillende streken des ligchaams, waaruit men zenuwen onderzocht, meer of minder lus zamenhangende laag van een bleek aanzien aan. Het gemakkelijkste zou men volgens hem den ascilinder verkrijgen in de primitief buizen der centraalorganen, vooral in de grijze stof ter plaatse, waar de primitiefbuizen ontspringen.

Bij gaffelsgewijze verdeelde zenuwhuizen (zie beneden) zag Czermak ook getakte ascilinders, die echter op de plaats der verdeeling niet de insnoeringen, welke men daar aan de primitief buizen vindt, vertoonden. (MiiLlER'S Archiv. 1819, p. 52. Veber die Houtnerven des Frosches.) Volgens 11. WAGNER gaan de insnoeringen juist tot aan den ascilinder, volgens Czermak nog verder voort, tot gelieele afscheiding der vertakking toe. Wagner houdt de fijne straalsgewijze uiteinden der zenuwen (zie beneden) in bet electrische orgaan , in de spieren en in de pacinische ligchaampjes voor den alleen nog overgebleven ascilinder. llEM.E heeft zich aan de pacinische ligchaampjes overtuigd, eveneens Köluker, dat het fijnste einde der zenuwvezel niets anders dan de dunnere voortzetting van de gebeele zenuwbuis is.

Het bleef nog steeds een onverklaard feit, dat aan dezelfde zenuwbuizen, al naar mate zij behandeld werden, nu eens een ascilinder te voorschijn komt, dan weder het geheele merg gelijkmatig stolt; en hoe meer kunstmiddelen er gevorderd werden om den ascilinder zigtbaar te maken, des te meer werd IIenle in zijn vermoeden gesterkt, dat hier bijzonderheden in de stolling van het zenuwmerg te gronde lagen. Volgens Sharpet (Qdain and Sdarpey Anatomy, 1848) bestaat er van den beginne af aan een onderscheid tusschen het aan den omtrek en het in het midden gelegen deel der zenuwvezels: dit wordt door het praeparcren, door den invloed der lucht enz-, alleen wat duidelijker. Daar nu in de laatste jaren schrijvers van naam, en daaronder vooral Köli.iker, den ascilinder in bescherming nemen, bestrijdt Henle hen in de volgende bewoordingen.

Men moet bij deze vraag twee punten wel onderscheiden, namelijk het bestendig voorkomen van den ascilinder en zijne oorspronkelijke aanwezigheid. De groole bestendigheid van den ascilinder, daaromtrent zijn allen het eens; Koliiker geeft zelfs geene uitzondering op dien regel toe, betgeen men in het midden kan laten. Gesteld, hij zij zoo algemeen, als K. wil, dan zou dit toch voor zijn oorspronkelijk aanwezig zijn alleen dan iets bewijzen, wanneer de chemischphysische wetten, van welke de veranderingen van het zenuwmerg na den dood afhangen, minder golden dan de organische. Men versta dit aldus: wanneer de inhoud der zenuwbuizen de neiging heeft om zich in eene donkere korst met een lichten

13*

Sluiten