Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderscheiding van sympathische en cerebro-spinale, want vezels van dezelfde fijnheid treft men ook in de hersenen en de zintuigzenuwen aan, en wat nog meer •/.egt, de dikkere cerebro-spinale vezels verdunnen zich naar de peripherie toe tot op den doormeter van sympathische. De overige kenmerken der sympathische vloeijen alle uit hare geringere dikte voort en laten zich daaruit afleiden; dit geldt voor hare vancositeit, voor hare enkele omtrekken, voor het gemis der, pas hij stolling van het merg intredende en dus daarvan afhankelijke, witte kleur. Chemisch verhouden de sympathische en cerebro-spinale zich volgens Donders [Beitrage I, p. G3) en Moeder (PUysiol. chem.) geheel gelijk.

lntusschen is het ontbreken in sommige, het overwegen in andere zenuwen van fijne vezels, een zoo het schijnt vaststaand feit. Dat de vermenging der beide soorten van vezels in verband staat met de verrigting der zenuwen, heeft Volkmann door herhaling zijner proeven op grootere schaal zoeken te slaven (Art. Pie rvenp hy s io log ie in Waghïr's Handw.), waarbij hij echter voor de huidzenuwen groote wisseling in de verhouding van fijne tot grove aantrof, en bij welke gelegenheid Henle de opmerking maakt, dat een vrij groot aantal vezels zich noch tot de ecne, noch tot de andere soort met zekerheid liet brengen. De benaming sympathische vezels kan, dit bedenke men wel, in tweederlei zin, namelijk anatomisch of ook physiologisch worden opgevat. Bij de eerste opvatting is elke vezel \an den n. sympalhicus, die dan als een afgesloten zenuwgebied wordt beschouwd ,

hetzij dik, hetzij dun, een sympathische vezel. Bij de tweede opvatting heet eene zekere klasse van physiologisch eigenaardige zenuwen sympathische, om het even uf zij uit de centraalorganen dan of zij uit de ganglia ontspringen. Kot lik En nu bewijst wel, dat de fijne vezels geen sympathische zijn in anatomischen zin, wijl zij ook in de hersenen voorkomen , maar erkent stilzwijgend, en daarin ligt juist de verdienste van Bidder en Volk.ua.nn's onderzoek, dat een aantal zeer fijne en daardoor goed te onderscheiden vezels uit de centraalorganen en uit de ganglia ontspringen, welke, naar hare peiïpherische verspreiding te oordeelen, voor de onwillekeurige spieren bestemd zijn. Het onderzoek van KÖILIKER bevestigt liet door de beide genoemde reeds medegedeelde, dat de centraalorganen grove en fijne, de ganglia alleen fijne vezels leveren; dat het aantal der uit de ganglia ontspringende fijne vezels, in verhouding tot die, welke uit de centraalorganen komen, bij den kikvorseh grooter is dan bij hoogere dieren, waaruit zich de geringere afhankelijkheid van diens hart en vaten van zijne centraalorganen verklaren laat. Het voorkomen van overgangen schijnt Henie toe niet zoo zeer tegen de onderscheiding van twee soorten te pleiten; voor bindweefsel en gladde spiervezel lieeft men toch eveneens overgangen.

Köluker bevestigt de stelling van B. en V., boven onder XlVgenoemd, dat de fijne vezels in de spinaaltakken van den sympathicus niet uit het ruggemerg, maar grootendeels uit despinaalganglia komen; gelijk ook het in St.XVIII geuite vermoeden, dat bij hoogere dieren en bij den mensch de vezels der ratni communicantes én naar het centrum én naar de peripherie uitstralen. Ilij bevestigt het inSt. XV gezegde, maar gelooft tevens, dat de fijne vezels van de plaatsen van oorsprong uit, niet enkel in den sympalhicus overgaan, maar ten deele ook met de spinaalzenuwen zich peripherisch verspreiden, wijl deze ook fijne vezels bevatten kunnen, zonder

Sluiten