Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mag ook wei voor den mensch en voor ile gewervelde dieren geiden; zij is bij de torpedo en raja juist daarom zoo veel duidelijker, wijl hier geene Remak'scIic vezels voorkomen. Jn de centraalorganen echter schijnen alle ganglienligehaampjes, in plaats van twee, meer vezels op le nemen of af te geven. Belangrijk voor de onderscheiding van de grove en fijne zenuwvezels is het feit, dat, hoewel het electrische orgaan alleen de dikke vezels bezit, toch van de gangliencclien, nu eens breede, dan eens smalle vezels onspringen. Tot zoover R. AVagner.

Gelijktijdig met R. Wagner (Göttinger Nacht-inkten en elders, ook in zijn Handwörterb. der Phys., Art. Symputhischer Nerv. etc.) werd hetzelfde door Ridder (Zur Lekte van dein Verhiiltniss der Ganylienkötper zu den NervenJas er 71, 1847) en Robin (<Vlnstitut, No. 087 en j\o. 099) ontdekt. Een gangliënkogel is, zoo als Ridder zich juist uitdrukte, eene verdikking van een zenuwvezel, of de gangliënkogel ligt in eene verwijding der zenuwbuis. Aan alle spinale en sympathische gangliën , eerst bij de torpedo en raja, daarna ook in de haiiganglia van den kikvorsch, verder bij visschen, bij vogels en bij verscheidene zoogdieren, troffen de drie genoemde waarnemers dezelfde verhouding aan. Voor het onderzoek der laatste dierklasse was het noodig het omhullend bindweefsel door azijnzuur doorschijnend te maken, zoo b. v. aan de wortels van den vagus en glossopharyngcus bij den hond, het kalf en de kat. De zenuw\ezel, welke den gangliënkogel insluit, loopt met de overige vezels van den wortelhundel parallel, of de gangliënkogel schijnt gesteeld, zoodat de vezel in een kogel schijnt te eindigen; dit is echter niets meer dan schijn, zoo als blijkt uit de vergelijking met andere gangliënkogels, waar die steel duidelijk uit twee naast elkander liggende vezels, eene in- en een uitgaande, bestaat-

Bidder zag voor de fijne en grove zenuwvezels dezelfde verhouding in de hersenzenuwen der visschen met beenig scelet; gedeeltelijk lagen de kogels in verwijdingen naar eenen kant van omgebogen vezels , wier beide beenen dus naar ééne rigting, Bidder vermoedt naar de peripherie, verliepen.

R. Wagner kon maar zelden het merg van de vezel in de gangliencel vervolgen ; gewoonlijk hielden beide met eene onbepaalde grensscheiding op. De zenuwscheede zet zich als omhulsel van den gangliënkogel voort; de inhoud der laatste is eene taaije massa, die daardoor na bersting van het omhulsel nog als een korrelige klomp blijft zamenhangen. De opvatting van Bidder is eenigzins anders; deze wil dat de gangliënkogel in de holte der zenuwhuis ligt, zoodat tusschen den kogel en de primitief-vczelscheede nog eene — soms, volgens hem, aan eene zijde met merg opgevulde —r tusschenruimte overblijft. Wagner wil dat beider inhoud in elkander zamenvloeit. Op de binnenzijde van het omhulsel zag Wagner in vele gangliencellen ééne laag lichte cirkelronde celletjes met kernen. Robin zag insgelijks in de grootere sphaerische gangliencellen (05'"), die hij van de kleinere (035/;/) meest ei- of peervormige onderscheidt, op de binnenvlakte van het omhulsel dezelfde celletjes, maar zonder kern; daarentegen zag hij aan de kleinere gangliencellen de pas genoemde celletjes met centrale donkere kernen voorzien. In de gangliënkogels van den sympathicus kon hij die eellenlaag maar zelden waarnemen , en soms zag hij niets dan eenige donkere geelachtige kernen. De korrelige inhoud van den sympath.■ gangliën zou donkerder en grover zijn. Ridder merkt

Sluiten