Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij zijne histologische beschrijving der gannlienccllen op, dat de veelvuldige vormen, welke een uit zijne omhullende vezel uitgevallen gangliënkogel vertoont, liet gevolg zijn van beleediging en van de drukking, welke hare weeke massa bij het praepareren heeft ondergaan. Deze massa is wel elastiek, maar tevens zoo taai, dat zij in fijne glasachtige draden kan uitgetrokken worden, welke men wel eens voor zenuwdraden zal aangezien hebben. De geelachtige, fijn gepuncteerde massa, welke aan de gangliënkogels hun kennelijk aanzien geeft, vormt alleen een buitenste laag rondom eene homogene waterheldere stof; deze stof is het, welke, de buitenste laag doorbrekende, de uitloopers vormt. De gangliënkogels in den sympathicus van den gailus munten uit door de grootte van hun kern, die meestal, 008i/;/ doormeter heeft.

Robin beantwoordt de door hem geopperde vraag, of er twee soorten van gangliënkogels zijn, die aan elk der beide vezelsoorten, dikke en dunne, beantwoorden, toestemmend. Hij onderscheidt, gelijk wij reeds zagen, groote en kleine gangliënkogels. Wagner zoowel als Bidder sluiten zich hierin bij Robin aan, hoewel de eerste opmerkt, dat uit de kleinere , meer ovale gangliencellen niet zelden breede, en uit de grootere cellen smalle vezels ontspringen, terwijl eene cel, hoewel tot de kleinere soort behoorende, soms geheel rond kan zijn en tevens aan den eenen kant in eene dikke, aan den anderen kant in eene dunne vezel kan uitloopen.

Bidder wil, dat de grootere cellen, tot wier verdere karakteristiek bij nog rekent het bij hen uitsluitend voorkomen van een pigmentvlek, meer tot de cerebro-spinaal-ganglien behooren, de kleinere meer tot de sympathische; dat de eerste slechts tusschen de breede, de laatste tusscben de smalle vezels inliggen.

Met deze ontdekkingen is de theorie gevallen , die de gangliënkogels bij uilsluiting aan de sympathische vezels en zenuwen verbond , en uit hunnen invloed op de innervatie de eigenaardigheden van gevoel en beweging der ingewandszenuwen toeschreef; die leer heeft opgehouden, al wil men ook aan de breede en smalle zenuwvezels, aan de groote en kleine gangliënkogels nog een functioneel verschil toekennen.

Nu men weet, dat in cerebro-spinale vezels gangliënkogels voorkomen, ligt de vraag voor de hand , of zij physioiogisch van eenvoudige breede vezels verschillen. De gangliënkogels komen in de gevoelswortels van kersen- en rnggemergzennwen voor, en daarop steunt Wagner zijne stelling, dat alleen aan de gevoelsvezels deze gangliencellen eigen zijn, terwijl Bidder er het door hem gezochte anatomische onderscheid van gevoel- en beweegvezels in vindt. Volkmann daarentegen wil ze ook in motorische vezels gevonden hebben, waartegen Bidder aanmerkt, dat de door hem in spieren gevonden zen uw vezels met gangliënkogels wel alleen voor het spiergevoel bestemd konden zijn. Aan de pas gestelde vraag knoopt zich een andere: bevat elke gcvoelsvezel gangliencellen?

Wagner meent die bevestigend te mogen beantwoorden; toch is dit nog niet voldoende uitgemaakt. Evenzoo bevestigde Wagner , en met hem Bidder , de vraag, of eene zenuw vezel in haar beloop slechts eenmaal een gangliencel bevat; wijl geen zich van het tegenovergestelde van beide kon overtuigen. Het tegenovergestelde kwam aan volkmann waarschijnlijker voor; want daar elk ganglion van de grensstreng

Sluiten