Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met ffiey verrigte nasporingen, voor liet kikvorschenhart loe, dal d&ar de gangliencellen niet tweevoudige, maar enkelvoudige vezel beginselen vertoonen. Lcdwig (Müller's Archir, 1848, II, p. 143) zag hetzelfde, en buitendien dikwijls gangliënkogels, die in geenerlei verband met primitiefbuizen stonden, b. v. waar, midden tusscben een groot aantal van deze, slechts een paar primitief\ezels doorloopen. Robin, Axmann (De gangliorum systematis struct. pen. 1847) trof in de ganglia van kikvorschen en tritons bipolare gangliënkogels aan, maar zeldzamer toch dan de unipolare. In de laatste zoude niet zelden een heldere strook van de kern der gangliencel zich tot aan de uittredende vezel uitstrekken, en soms kon A. den overgang van de eene in de andere duidelijk erkennen. Voorde hoogere dieren kwamen Kölliker, Gerlacb, v. Hessling al spoedig tot dezelfde slotsom , dat namelijk naast bipolare (Stannids, tiveestraliqe Wagner, ook unipolare), en deze zelfs in grootere hoeveelheid , benevens op zichzelf staande (apolate , Stannids) gangliënkogels voorkomen. Daarentegen houdt DOiNDKRS, en volgens hem ook IJarti>g, het niet voor twijfelachtig, dat , zoo als vooral ScnnoÈDER van der Kolk gezien schijnt te hebben, bij hoogere en lagere dieren de gangliënkogels meestal naar beide zijden in vezels overgaan; hij nam deze verhouding in het ganglion cervicde van den mensch waar. Niettemin gelooft Donders aan den oorsprong van zenuwvezels uit ganglia. Ilij zag namelijk , dat de in centripetale rigting uit den gangliënkogel uittredende vezels slechts voor een klein gedeelte haren weg naar hersenen en ruggemerg voortzetten, en voor twee derden weder naar de peripherie terugkeeren. T. C. Donders, Ontspringen alle zenuwbuisjes uit hersenen en ruggemerg ? TSederl. Lancet. D. III, pag. 729, 733.

Sta nni cs en Wagner houden het voor een moeijelijk uit te maken punt, of niet de vrije en de met één uitlooper voorziene gangliënkogels der overige waarnemers wel iets anders dan verminkte bipolare cellen zijn. liet antwoord op die vraag, zegt Henle (Jahresb. 50), wordt subjectief en hangt af van het vertrouwen, dat ieder voor zich van den eenen kant in analogie, van den anderen kant in de methode van onderzoek stelt. Tegenover Wagner , die zich op de analogie met de plagiostomen steunt, en Stannids, die aangaande de apolate minder bedenkingen heeft dan wel omtrent de unipolare. staan Valentin, die Henle's pasgenoemde waarnemingen herhaalde, Engel . en vooral Kölliker (Mikr. Anut. p. 505, 524 , 531), behalve de boven reeds genoemden. Alleen bij de plagiostotneti was het beslaan der ganglia, uit grootendeels bipolare cellen, hen beiden en zoo het schijnt, ook Jou. Mcller duidelijk. Bij Trirjla vond Stannids in een ganglion bipolare cellen , waarheide beenen naar de peripherie verliepen. Hetzelfde zagen ook Valentin, Schaffner en Bidder. Behalve de apolare, unipolare en bipolare cellen, die met een fijnkorrelige massa, de peripherische ganglia helpen daarstellen, vond Stannids bij de visschen, Schaffner bij den triton en bij den kreeft nog, hoewel zelden, cellen met drie stralen , waaromtrent Wagner vraagt, of het niet eene zeer vroegtijdige, reeds aan het ganglion zelf plaats grijpende verdeeling van een primiticfvezcl is.

Al bet tot nog toe over gangliënkogels gezegde heeft alleen betrekking op die der ganglia zelve; gaan wij nu tot de eigenlijk gezegde centraal-organen over, dan blijkt hunne textuur met die der ganglia zeer veel overeenstemming te heb-

Sluiten