Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liij \oor vrije kernen wil liouden, hoewel zij vaak van geelachtige korreltjes verzeld zijn, gelijk die in de zenuwcellen voorkomen (p. 470).

Even als vroeger IIinle, vond Köuiker de grijze zelfstandigheid der centraalorganen op sommige plaatsen eenvoudig uit eene korrelige grondstof met ingestrooide kernen gevormd; hij lirengt echter hiertoe niet de schors der groote hersenen.

Even als Stannios, hij de petromyzon, onderlinge anastomose van de uitloopers der multipolare gangliëucellen meende te zien, zoo beschrijft Schroeder 1. d. Kolk netvormige anastomosen van de uitloopers dier cellen uit liet ruggemerg van den menscli. Hij verzekert in liet uiteinde van het ruggemerg, waar de cnuda equitiu begint, den overgang zoowel der achterste als der voorste zenuwwortels in de uitloopers der gangliëncellen waargenomen te hebben. R. Wagner zag in menschenhersens den overgang van den uitlooper cener multipolare cel in den ascilinder cener zenuwvezel. KoLLIKür (p. 425) kon zich nergens van dergelijke overgangen overtuigen.

Köuiker bestreed reeds in zijn Zeitsclir. ƒ. wiss. Zoöl., 15. I, de op de ontdekking van Wagner-Bidder Robin steunende voorstelling, alsof het structuurloos omhulsel der zenuwhuis, voor zoover daarin een gangliënkogel is ingesloten, slechts eene eenvoudige verwijding zou ondergaan liebhen ; veeleer ziet hij daarin eene versmelting van het celvliesje van de gangliëncel met bet omhulsel der zenuwbuis. Het komt bier alleen op bet begrip van gangliënkogel aan; vormt zich het celvliesje opvolgend om defl korreligen inhoud, zoo als dit uit analogie, en naar hetgeen men in de grijze schors der hersenen ziet gebeuren, waarschijnlijk is, dan kan men het, met nog geen vlicsje omhulde, rondom eene kern zaamgehoopte klompje van korrelige zenuwzelfstandigheid den naam van gangliënkogel niet ontzeggen. Gebruikt men de benaming van gangliënkogel en gangliëncel als svnoniein, dan is het geschilpunt reeds a priori beslist. Terwijl Bidder beweert, dat de donkere omtrekken der met uitloopers .voorziene gangliënkogels daarvan afhangen, dat tusschen de celmembraan en hun inhoud een dun laagje van den inhoud der zenuwbuis zich bevindt, is KöLLIKER van meening, dat de inhoud der gangliëncel, zoodra zij afzonderlijk ligt, bleeke randen heeft, wijl zij dan immer een platgedrukten vorm bezit, maar in de cel zelve donkere omtrekken vertoont, wijl zij dan eene spbaeriscbe gedaante heeft, om dezelfde reden, waarom vetcellen een donkeren, vetdroppen een bleeken omtrek hebben. Brüch merkt tegen Bidder aan, die den uit zijne scheede gevallen gangliënkogel een afzonderlijk omhulsel ontzegt, dat het hem aan bet ganglion Gasseri van een kalf gelukt is, even als aan Volkmann bij den kikvorsch, een volkomen gesloten, naakten gangliënkogel te doen springen, waardoor de korrelige inhoud ontlast werd en het om. hulsel ledig en zaamgevallen overbleef.

De electrische hersenkwabben van den sidderrog bevatten, volgens Wagners jongste mededeeling (Göttinger Nachr. 1851 , N°. 14), gangliënkogels, die geen afzonderlijk celvliesje bezitten. Uit hunne fijnkorrelige massa gaan verlengsels uit, die óf zonder vertakking in zenuwvezels overgaan, óf nu eens vertakt, dan weder enkelvoudig, op grooter of kleiner afstand van elkander gelegene gangliënkogels verbinden.

Nadat wij in het bovenstaande ons hoofdzakelijk met de gangliëncellen van hersenen

14*

Sluiten