Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«au de achterste extremiteiten eu aan liet palatum , en volgens W'ill zijn zij in <ie huid der vogels zeer talrijk.

De ligcliaarnpjes komen in de nabijheid van het elleboog-gewricht in massa zaamgelioopt voor; zij liggen niet enkel op, maar ook in de spieren. Köiliker (Mi/cr. Anat. p. 340) vond ze bij den menscb aan de zenuwen van beenderen, kort voor zij in het been, in zijn geval de tibia, binnendringen. De zenuwvezel wordt, volgens Heebst , binnen de capsel door een bloed- en lymph-vat vergezeld. In 1851 vond Herbst pacinische ligcliaarnpjes aan de tong bij verscheidene vogelsoorten , terwijl zij hij andere ontbraken. De leefwijze der eerste vogelsoorten schijnt met de zitplaats aan de tongzenuwen, en vooral aan de punt der tong, voor de betrekking dier ligcliaarnpjes tot den tastzin te pleiten.

Het komt ons voor, hier de plaats te zijn, om de ontdekking van tastligchaairipjes door Wagner met de daarvan door Köllikek (Zeitschr. ƒ. JV. Zoolog. 1852, II. I.) geleverde feitelijke beoordeeling te vermelden, niettegenstaande IIenle's meening daarover pas uit zijn berigt over 1852 zal blijken.

R. WaGNER beschrijft (Febr. 1852) zijne corpuscula taclus als op pijnappels gelijkende, uit opeengehoopte lagen bestaande ligchaampjes, met tussclien gelegen vocht en met eene stomp of ook wel vertakt eindigende zenuwvezel in het midden; die corpuscula taclus liggen in de huidtepels der vingertoppen en aan de punt der tong. Door Ko'lliker zijn ze buitendien ook in de lippen gevonden; volgens hem bezitten zij geen centrale, maar een omslingerende zenuwvezel, die een lis vormt rondom het harde ligchaampje, dat eenvoudig een bundel bindweefsel is, die door een dwars er omheen loopenden gordel van jong elastiek weefsel met vele kernen omsponnen is.

Küi.likkr (Mikrosk. Anat. p. 30) trof naar de conj unctiva palpetrarum toe rondachtige ligchamen aan, welke aan Gerber's zenuwkluwen herinnerden, 0,02"'— 0,028" groot, uit een of meer ineengerolde zenuwvezels van 0,002—0,005"' bestaande, in het klein op een glomerulus der nier gelijkende. Meestal ging één vezel het kluwen in en een er uit; soms kwamen er op eene intredende 2—4 uitgaande vezels. Dergelijke zenuwkluwen vond Kölliker ook elders.

Terwijl het aantal waarnemingen van zenuwlissen steeds klom, zoo kon men in 18i5 berigten , dat zij door BadmgKrtner in de huid en spieren, door GonIDER in de iris en canalis vestibull, door ICobelt en PURKINJE in verschillende deelen dergenitalia, door den laatsten in wei- en pees-vliezen , door Rüete en Pacini in de retina, ja zelfs in de pacinische ligchaampjes door Pappende!M (1846, zie boven) gezien waren, — was reeds eene andere wijze van eindigen der zenuwen ontdekt, maar zoo het scheen minder bekend, totdat op het einde van 1846 R. Wagner het gewigtige feit bevestigde, dat er eene dichotomische verdeeling en netvormige verspreiding der primitiefvezels bestond, gelijk die door Paoii Savi in het electrische orgaan van de torpedo was aangetoond. (Etui/, anat. sur le syst. nerv. 1844.)

In het electrisch orgaan deelt zich elke primitiefvezel in 12 tot 15 takken, die waaijersgewijze uit het knodsvormige einde van eene onverdeelde buis ontspringen. Deze takken verdeden zich weder dichotomisch , en vormen zoowel onder elkander, als met die van naastbijgelegen priinitiefvezels, schijnbare netten. Doch ook

Sluiten