Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ecnc laag kernen (stratum grunulusum) van (le slaafjeslaag afgescheiden. Ook volgens Bhücke [Anal. Besohr. des mensclil. AuyapJ. 1847) volgt op de uitbreiding der vezels van den opticus eene laag hersencellen, die in een lied van fijne vezels liggen, welke met het iu den loop der zenuwen voorkomend bindweefsel overeenkomen. Volgens Gerlach [handt, der Gewebelehre) liggen de cellen niet tusschen vezelen in, maar in een lijn korrelig, met dat der heisenen overeenkomend, stroma. De cellen, ter grootte van 0,0045'" — 0,0090"', volgens Gerlach van 0,006"' tot 0,008'", zijn kogelrond, en versch onderzocht zoo doorschijnend als oliedropjes; doch aldra verschijnt in hen eene kern, of in plaats daarvan een hoopje kleine korreltjes. Zeldzaam vindt men in eene moedercel twee dochtercellen. Van de voor de identiteit dier cellen met hersencellen pleitende reactie met acid. acelic, dat de gangliëncellen met hare kernen oplost, wordt bier geen melding gemaakt.

Hassail spreekt (1849) van eene laag gangliëncellen met stervormige verlengsels, die alleen in de menschelijke retina zou voorkomen en tot nog toe wegens bare teederheid en fijnheid over bet hoofd gezien was; Corti en Kölliker [mi/er. Anat. 518) bevestigden bet volgende jaar die waarneming; het gemakkelijkst slaagden zij aan in chromzuur bewaarde oogen. Bij varkens en schapen merkte Corti twee soorten van gangliëncellen der retina op, en meende, waarvan K. zich niet overtuigen kon, de verlengsels der grootere cellen, fijn varikcus en gaffelvormig gedeeld, in de zenuwvezels der retina te hebben zien overgaan. De anastomose van vertakte zenuwcellen, door H. Muller medegedeeld, komt aan Hekle twijfelachtig voor.

De nu volgende laag der retina bestaat uit korrels of kernen van 0.0025"'— 0.0035"' doormeter, die ter plaatse der macula lutea fraai geel gekleurd zijn. Dit pigment is ook volgens Todd en Bowman niet korrelig, maar gelijkmatig in alle de weefsellagen doortrokken, waaruit bet door water verdwijnt. Kölliker (Zeitschr. 1851) zag ook alle lagen gekleurd, en vond de gele vlek onmiddelijk na den dood, terwijl zij volgens HaRLESS pas naden dood ontslaan zou, en, zoo als deze meent, van doorgezweete bloedkleurslof zou afhangen.

Bij dezelfde gelegenheid, aan het lijk van eenen ter dood gebragten man, zag Kölliker (Zeitsclir. ƒ, Wissensch. Zoöl. 1851, Heft 1) de plica centrolis ontbreken , en het foramen centrale als een klein kuiltje aanwezig.

In bet voorbijgaan zij hier nog nopens den ncusticus gezegd, dat ook in hare takken bipolare gangliënkogels voorkomen, volgens Pappemieim , Stannids, Corti. De laatste zag de zenuwvezelen, na baren oorsprong uit de gangliëncellen dikker geworden, weder afnemen in omvang, hare donkere omtrekken verliezen, cn onduidelijk eindigen. Aan geene plaats van den acusticus kon Corti splitsing

van zenuwvezels bespeuren.

Bidder en Reichert (1847) te zamen gingen de ontwikkeling van bet zenuwweefsel na bij het kuiken, en wel van het ganglion gasseri met zijne takken. Op de plaats van het ganglion waren den 4^en dag reeds kerncellen te hespeuren. De zenuwen vertoonen bij haar eerste te voorschijn komen (den 7<ien dag) geen spoor van vezelen of buizen; zij bestaan uit eene grijze fijnkorrelige massa niet enkele kernen, soins met een kring als aanduiding ecner cel omge\cn. Den 9tltri

Sluiten