Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den anderen kant de vezelige grondstof van vezelkraakbeenderen in vroegeren tijd homogeen schijnt te zijn.

Tot de echte kraakbeenderen brengen wij de trochlea, de kraakbeenderen van den neus en van den geheelen ademhalingstoestel, met uitzondering van de Santorinische, wigvormige kraakbeenderen en die der epiglottis , de corpuscula trilicea in de ligamenla hyotliyreoidea laleralia , de kraakbeenderen der ribben en het zwaardvormig verlengsel van het borstbeen, eindelijk de gewrichtskraakbeenderen, met uitzondering alleen van het dunne kraakbeenige overtreksel van de cavilas (jlcnoidca en het gewrichlshoofd der onderkaak. Aan dunne doorsneden van echte kraakbeenderen ziet men in de waterheldere of, even als mat glas, ligt korrelige plaatjes van de grondzelfstandigheid (Plaat V, fig. 6 , C) groefjes of holten van eene verschillende gedaante en grootte op verschillende afstanden vau elkander. Zij doen zich fijn gegranuleerd voor , even als de grondzelfstandigheid , maar nu eens lichter, dan weder donkerder, hetgeen wel alleen van de doorschijnendheid der grondzelfstandigheid en van toevallige wijzigingen der verlichting zal afhangen. Op zichzelve zijn zij, zoo als uit het volgende blijken zal, met eene lichte massa en de zoo aanstonds te beschrijven kogeltjes of blaasjes opgevuld, waarin men deels cellen, deels cytoblasten erkent. Kleinere holten van 0,006'" doormeting bevatten in zeer zeldzame gevallen slechts één klein, scherp begrensd, rond ligchaumpje van ongeveer 0,001'" doormeting. In andere schijnt dit ligchaampje door een fijn , korrelig iets omgeven, dat, volgens Sciiwan'n, het begin van een secundair blaasje zijn zou. Gewoonlijk treft men de secundaire blaasjes volkomen gevormd aan, als korrelige ligchaampjes van 0,005—0,005"' doormeting , ware celkernen , die door een of een paar kernligchaampjes gekenmerkt (1), somtijds ook, ofschoon zelden, door eene cel omgeven zijn. Dikwijls liggen deze kleine holten in groepen van 2—4 bij elkander (2). Vervolgens doen zich eenigzins grootere holten voor, die twee celkernen naast elkander insluiten. Bevat eene holte 2 celkernen , dan is nu eens slechts de eene door een bijzonder

(1) Schwann , Mikrosk. Unters. Taf. III , Fig. 1 , 2.

(2) t. a. p. Taf. I, Fig. 9.

Sluiten