Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blaasje omgeven , clan weder zijn het beide ; de kern ligt dan dikwijls niet in liet midden van de lot haar behoorende cel, maar digter bij den rand ; de cel gaat den omvang der kern niet ligt meer dan het dubbele te boven. Ook 5 en 4 kernen , niet of zonder omhullende cel, vertoonen zich in ééne holte. Zoo is b. v. op PI. V , lig. 6, B , eene holte afgebeeld , waarin , door eene brug van de donkere , korrelige zelfstandigheid (h) gescheiden, twee blaasjes liggen, c en d. Het blaasje c is met twee cytoblasten voorzien («,ƒ); het blaasje cl bevat eene cytoblast li, die zelf wederom door eene cel g wordt ingesloten. Eindelijk vindt men holten , die zich op het eerste gezigt eenvoudig voordoen en 2—4 cellen schijnen te bevatten, waaraan men echter, bij eene meer naauwkeurige beschouwing, smalle bruggen van de homogene grondstof tusschen de afzonderlijke cellen ziet. Deze vormen weder den overgang tot de duidelijk door de grondzelfstandigheid gescheidene, maar in groepen bijeenstaande holten met enkelvoudige kernen. De cellen van de naakte celkernen zijn door de wanden van de holten , waarin zij liggen , nu eens digt omsloten , dan weder door eene meer of minder aanzienlijke tusschenruimte daarvan gescheiden (fig. 6, A).

In den vorm der kernen , der cellen en der hen omsluitende holten heerscht de grootste verscheidenheid. De kernen zijn rond, ovaal , hoekig, of geheel en al onregelmatig (fig. 6, B, e), fijn-of grofkorrelig (f) of glad. Het kernligchaampje ontbreekt in de grofkorrelige cytoblasten ; in anderen is het enkelvoudig of dubbel ; het kan zich tot een vetdroppeltje ontwikkelen, en dikwijls bevinden zich onderscheidene fijne vetdroppeltjes binnen in de celkern. Door zamenvloeijing van deze in den aanvang geïsoleerde droppeltjes kan de geheele celkern onder zekere omstandigheden het voorkomen van een enkelvoudig vetblaasje verkrijgen (fig. 6 , A, m , B, h), en men moet aannemen , dat zij zich op zekeren tijd van hare ontwikkeling met vet vullen kan. De vethoudende cytoblasten zijn meestal grooter dan de korrelige. In hetzelfde kraakbeen (van eene rib) maten de grofkorrelige cytoblasten 0,005—0,005S"', de fijnkorrelige gemiddeld 0,005"', de vethoudende 0,0062—0,008"'. Wanneer de inhoud van de celkern in vet veranderd is, dan vertoonen er zich kleine, puntvormige vetdeeltjes , en zelfs grootere

Sluiten