Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij eene Ga-jarige vrouw bevatle de asch van dezelfde kraakbeenderen dezelfde stoffen in eene kleinere hoeveelheid ; maar de hoeveelheid phosphorzure kalk ging die van den koolzuren te boven. Het gehalte aan zwavelzuur leidt Berzelius van de verbranding van het zvvavelgehalte in de kraakbeenderen af. | van de kraakbeenzelfstandigheid is water (Cuevreul). Bij drooging worden de kraakbeenderen doorschijnend , maar niet zoo geel als pezen. De tusschen wervelbanden verhouden zich nagenoeg als de echte kraakbeenderen (Biciiat). Zij bezitten weinig neiging tot rotting.

De meeste kraakbeenderen missen vaten. De gewrichts-kraakbeenderen zijn aan de aangegroeide vlakte met de vaatrijke beenderen in aanraking; op de vrije oppervlakte worden zij door het synoviaalvlies bekleed, in welks bindweefsel nog bij pasgeborenen, en somtijds ook bij volwassenen, vaten van den rand af een eind weegs voortloopen en zich door injectie zigtbaar laten maken. Misschien bedekken zij in den beginne de geheele oppervlakte, en sluiten zij zich later naar den rand toe, waai het synoviaalvlies op den beursband overgaat. Maar noch uit het been noch uit het synoviaalvlies dringen bij volwassenen vaattakken in de kraakbeenderen. Bij de zelfstandige echte kraakbeenderen wordt de vrije oppervlakte door een vlies van vast bindweefsel, het perichondriutn, overtrokken. Hierin verspreiden zich vaten, die ook in eenige dikkere kraakbeenderen enkele takken voor de zelfstandigheid van het kraakbeen afgeven. Dit is namelijk bij de kraakbeenderen der ribben in het ligchaam van volwassenen het geval (1). Van hunne concave oppervlakte gaan kanalen meestal dwars naar het midden toe, en loopen dan een eind weegs in de as van liet kraakbeen. E. H. Weder , die dit aanvoert (2), houdt de kanalen , die zich door hunne roode kleur onderscheiden, niet voor bloedvaten., maar voor eene soort van mergbuizen , aan wier wanden zich eerst het bloed in fijnere slagaders en aders verdeelt. Bij verbeenende ribben van oude personen vind ik eene zeer duidelijke centrale mergholte met talrijke bloedvaten. Bij kleine kinderen zag Bruns bij eene overigens goed gelukte injectie nooit

(1) Lauto (Manuel de l'anatomiste, p. 13) liceft 7.c opgespoten.

(2) Meckel's Archta. 1-827, S. 237.

Sluiten