Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke zich ia latere tijdperken, terwijl liet kraakbeen aangroeit, nieuw vormen, schijnt eerst de kern voltooid te worden; want men ziet rijpe kernen gedeeltelijk naakt, gedeeltelijk door naauvve en wijde cellen omgeven. In de chorda dorsalis van de visschen en kikvorschpoppen zag nogtans Schwann jonge cellen, die geene kern , of in plaats daarvan slechts een klein , op het kernligchaampje gelijkend ligchaampje, bezaten (1). De kern zelve wordt óf als korrelige massa om het primair gevormde kernligchaampje neergeslagen (zie Deel I, bl. 181), óf zij wordt uit gelijksoortige korreltjes zamengesteld, in welk geval het kernligchaampje ontbreken kan (Plaat Y, lig. G, B , /'). Even als in andere weefsels groeit de kern nog een tijd lang met de cel mede , vervolgens neemt deze laatste spoediger in omvang toe, en scheidt zich te gelijk meer bepaald in omhulsel en inhoud.

In de chorda dorsalis en in ecnige andere kraakbeenderen bij visschen en kruipende dieren zetten zich de cellen somtijds in die mate uit, dat zij aan elkander raken, de intercellulairstof geheel verdringen, of slechts zeer kleine ruimten tusschen zich overlaten (2). Dij de hoogere gewervelde dieren worden, terwijl de cellen in grootte toenemen , ook de daartusschen gelegen bruggen van intercellulairstof breeder. Behalve de vergrooting der cellen draagt hare vermeerdering in aantal en de vermeerdering der intercellulairzelfstandigheid lot den groei van het kraakbeen bij. Beide processen zijn op dubbele wijze denkbaar.

1. Nieuwe cellen kunnen zich vormen «) binnen in de oude, of b) tusschen deze, in de intercellulair-zelfstandigheid. Dit laatste nam Schwann (o) waar in het kieuwkraakbeen van de visschen en van de jonge larven van den pelobalcs fuscns; de nieuwe cellen ontstaan wel is waar in de grootste hoeveelheid in de buitenste laag van het kraakbeen , maar ook tusschen de jongst gevormde cellen in. Ilaar vorm hangt af van de ruimte, die voor hare uitbreiding beschikbaar is. Vorming van cellen in cellen werd aangetoond in de chorda dorsalis, in de kieuw-en schedelkraakbeenderen van de kikvorschpoppen. Gewoonlijk liggen in eene primaire

(1) t. a. p. S. 15.

(2) t. i. p. S. 14, 17,

(3) t. a. p. S 111.

Sluiten