Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cel een tot drie jonge cellen van verschillende ontwikkelingstrappen, die zich somtijds door gebrek aan ruimte tegen elkander afplatten. In eenige jonge cellen komt zelfs eene tweede eenigzins bleekere kern voor , misschien liet begin van eene derde generatie (1). De boven medegedeelde anatomische feiten leeren , dat de endogene ontwikkeling der cellen in de blijvende kraakbeenderen van volwassenen nog voortduurt. Volgens Meckauer (2) is zelfs het nestgewijs in elkander sluiten der cellen bij volwassenen duidelijker te zien dan bij het foetus en bij pasgeborenen. Of de voortbrenging van endogene cellen tot vergrooting van het kraakbeen bijdraagt, is daarom twijfelachtig , en er kunnen hieromtrent velerlei vermoedens worden geopperd. Daar in de rijpe kraakbeenderen de cellen dikwijls in groepen van 2—4 bijeenliggen, zou men kunnen aannemen, dat 2—4 in eene cel voorlgebragte dochtercellen allengs de moedercel opvullen, verdringen, zelfstandig worden, dat vervolgens strepen van intercellulairstof daartusschen ontstaan , en daarna elk der nieuwe cellen zelve wederom binnen in zich jonge cellen vormt enz., totdat het kraakbeen het einde van zijne typische ontwikkeling bereikt heeft. Men neme aan, dat er in eene moedercel (Plaat V, lig. 7, C) twee kernen ontstaan : vormt zich nu om elk ééne cel , dan heeft men na resorptie van den wand der moedercel twee cellen, zoo als in D, die door vorming van nieuwe intercellulairstof tusschen hen gescheiden worden (B). De gang van hel proces kan echter ook juist omgekeerd zijn : het kan zijn , dat de smalle brug van intercellulairstof tusschen twee cellen (B) geresorbeerd wordt, de cellen aan elkander raken (Dj, en ten laatste door vernietiging van den wand, die ze van een scheidt, tot eene cel met onderscheidene kernen (C) ineensmelten. Eindelijk kan men de meening opperen, dat de groepeering der cellen binnen in de grondzelfstandigheid met de endogene voortbrenging in hoegenaamd geen verband staat; dat zoowel de holten als do bruggen der intercellulairstof, van den beginne af, aanwezig blijven bestaan, en dat de dochtercellen niet bestemd zijn , om zelfstandige kraakbeenholten te vormen, maar binnen hare

(1) Schwann, t. a. p. p. 14, 23, 29.

(2) t. a. p. p. 3.

Sluiten