Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moedercellen ontstaan en te gronde gaan. Omtrent de kraakbeencellen met onderscheidene kernen (fig. 6 , B , c, fig. 7 , C) moet het erenzoo onbeslist blijven , ofdeeenekern aan de oorspronkelijke cel, de andere aan eene nieuw te vormen cel toebehoort, dan of beide de grondslagen van nieuwe cellen in eene reeds kernlooze moedercel zijn, en eindelijk, of elke kern vroeger hare bijzondere afgezonderde cel gehad heeft. Aan holten van echte kraakbeenderen , d e jonge cellen insluiten, heb ik nooit eene kern gezien, zelfs niet, wanneer hare wanden nog duidelijk van de intercellulairstof waren gescheiden; zij zou in een vroeger tijdperk geresorbeerdkunnen zijn.

2. De vermeerdering van de intercellulairstof vindt plaats:n. onmiddellijk, b. v. door afzetting van nieuwe lagen aan de oppervlakte bij de vergrooting van de kraakbeenderen ; b. middellijk of, juister gezegd, schijnbaar, daardoor, dat de celwanden zich verdikken, nu eens ten koste van de celholte, dan weder met gelijktijdige uitbreiding dezer laatste, en doordien de verdikte celwanden met de intercellulairstof ineensmelten. De holten , die in het laatste geval overblijven, zijn alsdan niet meer door vliezige wanden van de intercellulairstof gescheiden , maar openingen in de grondzelfstandigheid zonder meer. Cellen met verdikte wanden nam Schvvann (!) in de horda dorsalis bij visschen waar. Dat de verdikking door laagsgewijze afzetting en onder vorming van poren-kanaaltjes kan plaats hebben, heb ik bij de vezelkraakbeenderen van den mensch aangetoond. Aan de punten der kieuwstralen van eenen visch zag Schvvann de celhollen door fijne tusschenschotten gescheiden; verder naar den wortel toe werden de tusschenwanden der celholten steeds dikker, en de holten kleiner. Men kon onderscheiden, dat de lusschenzelfstandigheid der celholten uit de afzonderlijke wanden van de aan elkander rakende cellen gevormd was. Elke celholte vertoonde zich namelijk met eenen dikken ring, van haren eigendommelijken wand omgeven ; naar buiten tusschen deze ringen bleven drie- of vierhoekige met eene soortgelijke zelfstandigheid opgevulde tusschenruimten over, beantwoordende aan de oorspronkelijke intercellulair-zelfstandigheid. Nog digter bij den wortel hield de onderscheidbaarheid van de bijzondere wanden

(1) t. a. p. S. 1G.

Sluiten