Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plantencellen geleken. Soms vertoonden die blaasjes laler een kern; maar de korrels der tussehenstof waren intusschen verdwenen. Wat Préyost en LeberT hielden voor blaasjesvormige kernen, beweerden Vogt (1814), en met hem Küuiker (1846), dat vergroote embryonale cellen waren, die haren korreligen inhoud verloren hadden; later ontstaan daarin nieuwe geslachten van cellen. Kramer (1848) (Mülleh's Archiv 9 II. I, p. 5G) spreekt van blaasjes of cellen, die eene enorme grootte bereiken, maar waariu bij de groote, bleeke kernen, die Schwann en Vogt beschreven, niet vinden kon.

Meijer neemt geene andere dan endogene vorming van cellen bij den groei van het kraakbeen aan, en die groei berust dus alleen op de toename van de tussehenstof en op de vergrooting der cellen, met of zonder endogene vorming. Vergrooting der cellen, zoodat de tussehenstof verdrongen wordt en de moedercellen elkander raken, ziet men aan den verbeeningsrand der diaphysen. Ter loops zij hier gezegd, dat de donkere lijn, die aan dunne sneedjes van het inet kraakbeen overtrokken gewrichtseinde der beenderen, been en kraakbeen scheidt, volgens Gerlacd door behandeling met verdunde zuren verdwijnt, en dus van eene ophooping van kalkzouten op de naar het kraakbeen toegekeerde beenvlakte afhankelijk moet zijn.

Volgens Meijer zijn vezeling en geleiachtige verweeking evenzeer regelmatige metamorphosen van het kraakbeen als de verbeening; de laatste is bij een vergevorderden graad der eerste niet meer mogelijk. Bij de vezeling van de tussehenstof atrophiëren de cellen door verdunning en oplossing van hun wand, waarna de kernen nog overblijven, maar eindelijk ook verdwijnen. Met dezen teruggang der cellen kan te gelijk de tussehenstof verweeken, welk proces met geheele oplossing van bet kraakbeen en vorming van holten eindigt. Deze holten kunnen, wanneer zij in de buurt van bet perichondrium liggen, vaten opnemen, maar staan met de vaatvorming in geen noodzakelijk verband. Het verweekte kraakbeen zou hetzelfde zijn als het kraakbeenmerg , waarvan sommige spreken. AVat de toestanden der cel op zichzelve genomen betreft, daaromtrent leert M, het volgende. Eerst is de cel zeer eng om de kern aangesloten, die later vrijer en dan van een donkeren inhoud omgeven wordt, en welke inhoud het kraakbeenligchaampje, zoo als Bidder dat beschrijft, zou zijn. Tegenover endogene vorming van nieuwe cellen staat de verenging van de holte der volwassen cel door verdikking van den celwand, waarmede de vorming van porenkanalen, bijv. aan ihachitische beenderen, gepaard gaat, en waarbij de kernen met optreden van vetdrappeltjes atrophiëren. Donders (1851) neemt voor waar kraakbeen hetzelfde aan, maar in de epiglottis, wijl hier het 1 urnen der cel niet afneemt, zou de verdikking door afzetting van buiten aan plaats grijpen; dus in tegenspraak met scnwann, die geene verdikking van den celwand aanneemt, dan alleen bij verbeening. IIarting (Reclierch. microm. p. 77) stelde vergelijkende metingen aan het tvveede rihbenkraakbeen in het werk, en \oiul; 1°. dat de kraakbeenligohaampjes zoowel vóór als na de geboorte in omvang toenemen; 2°. dat liet aantal kraakbeencellen (holten) na de geboorte steeds afneemt, hetgeen hij uit versmelting der holten door resorptie der tusschenwanden verklaart; 3*. dat het aantal endogene cellen voor en na de geboorte steeds toeneemt; 4°. dat bij bet einbryo holten en tussehenstof even veel plaats beslaan, maar dal bij het kind en bij volwas-

Sluiten