Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot de mergcellen plaats heeft. Altijd worden ook de fijnere kanaaltjes in de nabijheid der buitenste openingen en vóór den overgang in de mergholten of mergcellen wijder , en loopen dikwijls trechtervormig in de laatste uit (1). Op de dwarse doorsnede zijn de mergkanaaltjes óf volkomen rond óf elliptisch , zelden onregelmatig prismatisch. De netten, die zij vormen, zijn in de meeste platte beenderen vrij gelijkvormig; in de pijpbeenderen echter is de langste afmeting der mazen evenwijdig aan de lengte-as van het been, en overtreft verreweg de dwarse afmeting , zoodat men evenwijdige, overlangs loopende kanalen meent voor zich te hebben , die slechts van plaats tot plaats door dwarse anastomoses met elkander in verbinding staan. In de schedelbeenderen loopen overlangsche kanalen divergerend van het tuber puriclalc naar de randen toe; in de voorhoofdsbeenderen gaan zij van den supraorbitaalrand naar den kroonnaad, in de scapula van den hals naar de basis.

De kanaaltjes zijn het, die, vooral wanneer zij in eene bepaalde rigting loopen , aan de beenderen het gestreepte of vezelige voorkomen geven , dat men reeds met het bloote oog waarneemt. Om zich van de pijpvormige gesteldheid van deze schijnbare vezels te overtuigen en haar beloop juister te leeren kennen, verschaft men zich overlangsche en dwarse doorsneden van beenderen, en maakt die door slijpen zoo dun , dat zij bij doorvallend licht mikroskopisch kunnen onderzocht worden ; of men snijdt fijne blaadjes in verschillende rigtingen uit beenderen , die in zoutzuur week zijn geworden. Kanalen, die men dwars doorgesneden heeft, b. v. bij doorsneden van pijpbeenderen , doen zich óf als openingen óf als donkere, door eenen dikken rand omgeven vlekken voor (Plaat V, fig. 9, a); wanneer de doorsneden niet zeer dun zijn, schijnt, behalve de bovenste opening, de onderste onduidelijk door. Gewoonlijk bevindt er zich in de kanalen eene ongelijke, vormlooze massa, die bij doorvallend licht donker, bij opvallend licht glinsterend wit is, en óf het kanaal geheel opvult, óf alleen aan de wanden gelegen is, en in het midden eene opening overlaat. Niet zelden treft de snede door een overlangsch

(1) Miescder, hifl. oss. p. 38.

Sluiten