Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kanaal hetzelve juist daar, waar er een anastomoserende zijtak uitgaat. Deze wordt dan gedeeltelijk óf geheel geopend, óf schemert uit de diepte door (1), als eene breede , gelijkvormige streep, — donker bij verlichting van onderen , helder glinsterend bij verlichting van boven. Bij overlangsche doorsneden van pijpbeenderen ziet men zulke strepen in eene groote uitgestrektheid longitudinaal verloopen en zich door zijtakken verbinden (2) : maar slechts «zelden vertoont zich een zijtak , die transversaal is doorgesneden.

De centrale holte der lange, de cellen der platte en sponsachtige beenderen en de fijne beenkanaaltjes bevatten een los bindweefsel, dat zeer rijk aan bloedvaten is, en in zijne mazen vele vetcellen insluit. Dit is het beenmerg. Het vormt binnen in de pijpbeenderen eene zamenhangende massa , die , even als elk vethoudend bindweefsel, in plaatjes kan worden gescheiden, en geeft strengvormige verlengsels in de mergkanaaltjes af (5). In deze schijnt het bindweefsel te ontbreken; volgens Miesciier was zelfs het vet niet meer in cellen bevat (4). Zal er werkelijk vrij vet in de mergkanaaltjes voorkomen, dan moet men aannemen, dat het celvlies zich opgelost heeft ; maar dit is voorzeker slechts bij uitzondering het geval. Het merg van de diploë en dat der sponsachtige beenderen bevat, in plaats van het vet, eene roode, geleiachtige zelfstandigheid. Deze bestaat, volgens Berzelius (5), op 100 deelen uit 75,5 water en 24,5 vaste stoffen , overeenkomende met die, welke in het vleesch voorkomen , eiwit, vezelstof, extractiefstoiïen met de gewone zouten en enkele sporen van vet, waarschijnlijk in niet grootere hoeveelheid, dan het ook elders bij proteïnevei bindingen wordt aangetroffen. In het merg uit den ongekookten humerus van een os maakte het vet 66 pCt. uit. Het overige bestond uit bindweefsel en vaten (1 proc.), en uit eene vloeistof,

(1) Miesciier, t. a. p. Tab. I, fig. 5.

(2) t. z. p. fig. 6.

(3) Als mergvlies of inwendig periostcum werd vroeger de buitenste laag bindweefsel van bet mergweefsel beschouwd, die bet laatste van de inwendige oppervlakte der compacte hecnzelfstandigheid afscheidt, liet spreekt van zelf, dat de afscheiding daarvan van het overige mergweefsel slechts kunstmatig is.

(4) t. a. p. p. 53.

(5) Chemie, IX, 5G1.

Sluiten