Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet de capillairnetten van het merg in de beeneellen en van de mergbuizen, en kunnen derhalve aan deze deelen bloed toevoeren. De grootste hoeveelheid bloed verkrijgt eehter het merg door dikkere slagaders, de zoogenaamde arteriae nutriliae, die door ■ een schuinsch kanaal in het middenstuk, iets digter bij het boveneinde van het been , onvertakt tot in de inergholte doordringen, en dan takken naar boven en beneden uitzenden ; de sponsachtige beenderen hebben talrijke, maar minder aanzienlijke vasa nutritia.

De dikkere arteriae nutriliae worden door aderen vergezeld, die het bloed uit de vaten der mergkanaaltjes van de bastzelfstandigheid ten deele mede terugvoeren; daarenboven treden aderlijke vaten van een eigendommelijk beloop, gescheiden van de slagaderen, aan de uitwendige oppervlakte van het been naar buiten, en monden in de aderen van het beenvlies in. Zij zijn het uitvoerigst door Bresciiet beschreven 1). In het binnenste, vooral van de breede beenderen , vond hij een aantal wijde kanalen met compacte wanden, die zich op de wijze van gewone bloedvaten tot grootere takken en-stammen vereenigden. De wanden der kanalen zijn met openingen doorboord, waardoor zij de fijne adertakjes moeten opnemen. Zij doorloopen het sponsachtig weefsel, vervolgens de bastzelfstandigheid, en openen zich aan de oppervlakte met eene opening, die steeds naauwer is, dan het daartoe behoorende kanaal. Het gemakkelijkst maakt men ze aan droo^e beenderen zigtbaar, en wel aan de platte beenderen, b. v. van den schedel, daardoor, dat men de uitwendige compacte plaat met den beitel wegneemt, de kanalen op ééne plaats opent, en dan vervolgt. Bij sponsachtige beenderen is de bereiding vooral daardoor moeije1 ijker, dat de kanalen zich niet, zoo als bij de platte beenderen, in ééne vlakte, maar naar alle rigtingen toe verspreiden. De kanalen zijn met een doorschijnend en zacht vlies bekleed, dat vast aan den beenwand gehecht is, en te gelijk den wand der ader vormt. Het is slechts aan versche beenderen waar te nemen , en hier ziet men , hoe het klapvliesachtige plooijen vormt, die in vorm en dikte aan de aderklapvliezen gelijken. De aderen der diploë bezitten die klapvliezen niet; zij zijn slechts, even als de sinus van het harde hersenvlies, met vele vezelige draden doorloopen. De dun vliezige buizen zetten zich

(1) Ff. A. Ac ml- Fin/. cur. T. XIII. P. I, p. SCI.

III.

17

Sluiten