Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geduid). Hieruit volgt, dat de concentrische en parallelle strepen de omtrekken van lamellen zijn , welke de mergkanaaltjes of mergholten omgeven. Men kan zich voorstellen. dat de mergholte door een stelsel van in elkander sluitende buizen omgeven zij , die uit elkander wijken en afgebroken zijn , om de mergkanaaltjes tusschen zich op te nemen , terwijl de wanden dezer laatste evenzoo door een zeker aantal in elkander passende buizen gevormd worden. Door middel van de opgegeven methode ziet men , dat het digtst aan de uitwendige oppervlakte der pijpbeenderen verscheidene in een onafgebroken kring rondloopende lamellen liggen , en dat de tot de mergkanaaltjes behoorende lamellen wat meer naar binnen toe voorkomen. In de platte beenderen bestaat de uitwendige bast uit plat op elkander liggende lamellen (1); in de korte en sponsachtige beenderen is het beloop der mergkanaaltjes en evenzoo der lamellen onregelmatig; nogtans zijn ook hier in enkele plaatjes de parallelle lagen wel te herkennen (2). Om de dikte der lamellen te meten, moet men zeer dunne doorsneden een wreinig zamendrukken , waardoor de doorsneden der lamellen als platte vezels uiteen wijken en geïsoleerd kunnen waargenomen worden. De doormeting van deze vezels bedraagt 0,0020—0.0055"' (5). Even ver liggen telkens twee evenwijdige strepen van elkander verwijderd.

De lamellen in de uitwendige bastzelfstandigheid der lange en platte beenderen, die in groote uitgestrektheid onafgebroken voortloopen, kunnen op verschillende wijze van elkander gescheiden worden. Wanneer het been met warm verdund zoutzuur behandeld wordt, neemt men eene merkbare ontwikkeling van koolzuur waar, waardoor de massa uiteenspringt en in bladen wordt gespleten, waarvan elk uit een zeker aantal fijnere blaadjes bestaat. De blaadjes, die men op deze wijze verkrijgt, vertoonen daarom, even als glimmerplaatjes, het verschijnsel der entoptische kleuren nog scbooner, wanneer men ze met de vlugtige olie uit

(t) Miescher, t. a. p. Tab. !, fi-j. VII a.

(2) Deutsch, t. a. p. Fi<j. 5.

(3) 0.006—0,012"' E. H. Weder (van runderbeenderen). 0,027' ' Dedtsch (zat wel eene drukfont zijn). 0,0027"' Miescher. 0,003—0,007"' Kracse. 0 003—0,004"' lifiDNS.

(4) Marx , hts 182G, S. 1033.

Sluiten