Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dezelfde wijze, en welligt slechts in eene andere verhouding, als er in niet verbeenende kraakbeenderen, en zelfs in lijm en chondrine, kalk is opgelost. Dat niet alle beenaarde in de kanaaltjes bevat is, daarvoor spreken de volgende gronden: 1. In beenderen, die uitwendig niet ziekelijk veranderd schijnen, vindt men dikwijls een grooter of geringer aantal der ligcliaampjes leêg. 2. In osteomalacische beenderen , waar volgens J. Muller de kalkkanaaltjes geheel helder zijn, ontbreekt toch de beenaarde niet geheelenal, maar is slechts verminderd. 5. Wanneer men aan dunne beenplaatjes de organische stof door gloeijen of koken met potasch onttrekt, zoo worden zij geheel wit, en buiten de ligchaampjes en kanaaltjes vertoont zich de kalkaarde, als een fijn poeder, overal in de tusschen gelegen ruimten (1). In dezen toestand kan zij echter vroeger niet aanwezig zijn geweest, omdat zij dan even goed zigtbaar had moeten zijn, als de kalkaarde in de kanaaltjes. Zij is, na de vernietiging der organische stof, als asch overgebleven.

ToJgens Krause (2) zijn de wanden der mergkanaaltjes met openingen van 0,0006"' doormeting zeer digt bezet; hij vermoedt dat de kalkkanaaltjes door deze openingen in de holten der mergkanaaltjes uitloopen. Wanneer er puntjes van de genoemde grootte op de wanden der mergkanaaltjes werkelijk kunnen onderscheiden worden, zal het .nogtans moeijelijk te beslissen zijn, of zij aan openingen dan wel aan blinde uiteinden der kalkkanaaltjes in den •wand van het mergkanaal beantwoorden.

physiologie.

In den eersten tijd van het foetale leven bevinden zich op de plaats der beenderen vaste kraakbeenderen, die in uitwendigen vorm, op weinige uitzonderingen na , aan het volwassen been gelijk zijn, maar zich echter chemisch van het beenkraakbeen van den volwassenen daardoor onderscheiden, dat zij door koking in chondrine niet in lijm kunnen worden omgezet (3). Dat de chondrine

(t) Miescder, t. a. p., p. 42. J. Müllsr, t. a. ]>., S. IX.

(2) Anat. 2te Aufl. 1 , 71.

(3) MiilLER, Poggend. Ann, XXXV11I,316. Schwahn ,mkrosk. Unters. S. 32.

Sluiten