Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schijnlijkste (1) , en Kuause (2) sluit zich in deze aan hem aan. De celkern zou later verdwijnen; volgens Schwann (5) zou, na uittrekking der kalkaarde met zoutzuur, zelfs bij volwassenen nog een spoor daarvan te zien zijn; en Krause geeft eveneens op , dat in volwassene beenderen enkele lichtere beenligchaampjes voorkomen , die eene donkere, ronde, excentrische, scherp begrensde kern van 0,0028'" middellijn bevatten.

2. De beenligchaampjes worden als kernen van de oorspronkelijke elementaircellen, de kanaaltjes als verlengsels der kernen aangezien. Dit is de ineening van Gerber (4), Bruns (o) en G. H. Mayer (6). Op de fijne dwarse doorsnede van een paardentand zag Gerber de beencellen tot op de helft in het email dringen, en in iedere cel een of twee kernen. Mayer zag op de naadvlakten der schedelbeenderen rondachtige cellen, waarin de beenligchaampjes als kernen gelegen waren. Aan verbeenende ribben- of strottenhoofds-kraakbeenderen , deden zich naar binnen toe , onmiddelijk achter de afgeplatte kraakbeenholten der uitwendige laag, ronde cellen voor, waarvan elk eene kern bevatte. Deze cellen lagen meer nabij den rand afgezonderd van elkander ; meer naar binnen waren zij in groepen van 2 of 5 bijeengeplaatst; nog verder naar binnen zag men 2 of okernige eenvoudige cellen, die op hare beurt weder in groepen van twee of drie vereenigd waren. Deze groepen smelten eveneens weder tot enkelvoudige cellen ineen. Terwijl de cellen meer en meer ineensmelten, liggen de kernen van alle ineengesmoltene cellen óf afgezonderd nevens elkander, óf zij beginnen reeds te gelijk met de eerste ineensmelting der cellen een vergroeijingsproces onder elkander. Aan den rand der verbeening zijn altijd alle kernen van eene zamengestelde cel tot eene enkele versmolten, die door eene eenvoudige rondachtige of langwerpige cel omgeven wordt. Somtijds bevat zulk eene cel, die echter dan altijd iets grooter en meer uitgerekt is, twee zulke zamenge-

(1) Mikrosk. Vnters. p. 35, 115.

(2) Annt. 2e Uitjj. I, 71.

(3) t. a. p. p. 29.

(4) AUg. Atwt. p. 104.

(5) Allg. Anat. p 204. 252.

(G) MüUER's Archiv. 1841 , p. 210.

Sluiten