Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stelde kernen. l)e cellen hebben bij eenen meer of minder langwerpig ronden vorm, eene doormeting van 0,009—0,014'"; de zamengestelde kernen meten 0,004"'. Dat in verbeenende kraakbeenderen eene ineensmelting van cellen en kernen plaats vindt, schijnt mij na deze uitvoerige uiteenzetting niet twijfelachtig toe; maar wat Mayer heeft waargenomen, heeft, volgens mijne meening, geen betrekking op de vorming der kraakbeenligchaampjes, maar wel op die der mergkanaaltjes, in wier geschiedenis hierdoor eene gaping wordt aangevuld. Wij komen daardoor te weten, hoe de celgroepen in eenvoudige holten veranderen , eer zij zich tot het net van kanalen verbinden. Volgens Mayer zouden de ineengesmoltene cellen en kernen bij de laatste metamorphose, digt voor den rand der verbeening, aanzienlijk kleiner worden, de cellen 0,0052—0,0048"', de kernen 0,0008'" mill.). Aan deze opgave moet in elk geval eene dwaling tot grondslag liggen, want de opgegevene maat is naauwelijks juist voor eenvoudige cellen en de kernen daarvan. Cytoblasten van 0,0008"' doormeting komen nergens voor. Welligt zijn het kernligchaampjes, en datgene, wat voor cellen gehouden werd, kernen (1).

5. Men beschouwt de beenligchaampjes als de holten der cellen, wier verdikte en met elkander en met de intercellulairstof ineengesmoltene wanden de grondzelfstandigheid vormen, en de beenkanaaltjes als kanaaltjes, die uit de celholte in den verdikten celwand indringen, analoog met de poren-kanalen der plantencellen. Sciiwann heeft ook aan deze beteekenis gedacht, en aan de eerste alleen daarom de voorkeur gegeven, omdat hij overigens van de vorming van poren-kanalen geene analogie bij de dieren kende. Ik heb reeds bij de ontwikkelingsgeschiedenis der kraakbeenderen de gronden opgegeven, waarom ik de afzonderlijke kleine, met de beenligchaampjes overeenkomende openingen van zekere kraakbeenderen, die men met de celhoudende kraakbeenhollen niet verwarren moet, voor overblijfsels der celholte houde; ik heb voorbeelden van cellen aangevoerd, door wier verdikten wand vertakte kanalen, van uit de centrale holte, zich

(1) De afbeeldingen, die tot deze hypothese behooren, (zie PI. IX van het 4de stuk van het Archiv) geven hieromtrent geene opheldering

18*

.

Sluiten