Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ming der mergkanaaltjes nog nieuwe cellen in de intercellulairstof ontstaan , zoo als dit, volgens de uiteenzetting van Ggrber, er den schijn van heeft, enz.

Zoo lang liet been kraakbeen nog eene solide massa daarstelt, is er van eene verdeeling in bladen, zoo als zij bij volwassene zich vertoonen, niets te bemerken. Deze verschijnen eerst na de vorming der mergkanaaltjes: of dit door laagsgewijs voortgroeijen der zelfstandigheid van de mergkanaaltjes uit of door verdeeling der compacte zelfstandigheid geschiedt, laat zich niet beslissen; echter is mij het laatste waarschijnlijker, omdat de kalkkanaaltjes dikwijls onafgebroken door verscheidene lagen hunnen weg vervolgen. Dit zoude moeijelijk te begrijpen zijn, wanneer de eene laag na de andere zich uit eene bijzondere cellenlaag vormde. Ook zouden in het laatste geval de beenligchaampjes midden in de lagen moeten liggen, terwijl zij daarentegen het menigvuldigst juist telkens tusschen twee lamellen gevonden worden. De ontwikkeling van het plaatvormige maaksel schijnt nogtans, hoe zij ook tot stand kome, vóór de afzetting van beenaarde plaats te hebben; een spoor van lamellen vond ik in het nog kraakbeenige gedeelte van ribbcnkraakbeenderen, die in verbeening begrepen waren. Pfaauwelijks verbeende stukken van zeer jonge varkens-embryonen (van 3»" lengte) vielen, na uittrekking der kalkaarde door koken, in schilfertjes uiteen, die hetzelfde kleurenspel toonden, als, volgens Marx , de dunne plaatjes uit de beenkraakbeenderen van volwassenen (1).

Onmiddelijk nadat de mergkanaaltjes en de bloedvaten in de kraakbeenderen ontstaan zijn, begint de afzetting van kalkaarde: met het bloote oog zijn de zoogenoemde beenkernen zigtbaar; bij vergrooting ziet men een sponsachtig weefsel van beenzelfstandigheid , in welks mazen de vroeger vermelde celgroepen liggen (2). Het proces der verbeening heeft Schwann bij larven van pelobatcs fuscus nagegaan en uitvoerig beschreven (5). De kalkaarde zet zich vooral in de eigenlijke kraakbeenzelfstandigheid af; zij

(1) ScnwANN, t. a. p. p. 31.

(2) Miescder , t. a. p. Tab. I, Fi<j. IV.

(3) t. a. p. p. 32.

Sluiten