Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het gewone voedsel weder toegediend , zoo vertoonde zich, al naarmate de dieren langer in het leven bleven, in den beginne de roode kring van buiten, dan tusschen twee witte kringen in, dan aan den binnensten rand, en werd hier allengs dunner, tot dat hij ten laatste verdween. Hieruit laat zich ligtelijk begrijpen, waarom, in eene eveneens door Duhamel ingestelde proef, een draad, die buiten om het been gelegd was, zich na eenigen tijd binnen in de mergholte bevond, üok in de lengte groeijen de pijpbeenderen door aanzetting van nieuwe lagen. Duhamel en Hünter(I) hadden dit punt reeds tot waarschijnlijkheid gebragt, naardien zij waarnamen, dat bepaalde, door inboren gemerkte punten der diuphyses, bij voortgaanden wasdom van het been, verder uil elkander gingen. Fi.ouiïens (2) bewees het op dezelfde wijze dooide voeding met meekrap, dat de beenderen door aanzetting aan de oppervlakte in dikte toenemen. Door wederopslorping van de oudere lagen wordt de mergholte langer. Op andere beenen dan de pijpbeenderen is deze methode nog niet toegepast geworden; Duhamel zegt alleen (5), dat bij platte beenderen geen bepaalde lagen kunnen worden onderscheiden. Bij volwassene dieren worden, na aanhoudend gebruik van meekrap, de beenderen eveneens rood, ofschoon minder schitterend, en des te later, hoe ouder het dier is. Bij volwassene duiven zag Flourens , na 18—22 dagen , nog geen spoor van kleur; na twee maanden waren de beederen naauwelijks zwak rozenrood gekleurd (4). Dit bewijst, dat de vernieuwing der kalkaarde zelfs bij volwassene, doch aanmerkelijk langzamer, voortgaat (5). Wanneer het ligchaam zijne

(1) Transact, of the suc. for the improrement of medicul and surgicnl knowledge, 11, 277.

(2) t. a. p. XV , 242.

(3) Acad. de Paris, 1743, p. 106.

(4) t. a. p. XIII, 103; XV, 247.

(5) Gibson (JIeck. Archiv, IV, 482) trachtte de resultaten van Ddiiamel's proeven te wederleggen, en de wijze, waarop de roode kleurstof met de beenderen zich vereenigt, op eene andere wijze te verklaren. Hij vond, dat beenderen eener jonge duif in zeer korten tijd door en door rood werden, en nam daarom aan, dat de kleurstof zieli met de reeds afgezette kalkaarde verbindt, en baar vervolgens wederom verlaat, omdat zij eene nog grootere verwantschap tot bet serum des hloeds dan tot de beenaarde beeft. Hij kwam tot dit besluit, omdat serum met

Sluiten