Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en rigting der .«pieren, door het punt van inplanting der pezen, en door den vorm der met kraakbeen overtrokkene, onderling bewegelijke gewrichtseinden der beenderen.

De beenderen der gewervelde dieren leveren, in de verhouding der organische en anorganische bestanddeelen en der afzonderlijke anorganische stoffen, onder elkander vele verschillen op ; in mikroskopisch maaksel nogtans zijn zij volkomen aan elkander gelijk. Eene opgave van J. Muller (Archiv. 1856, p. VIII), volgens welke bij vele visschen de beenligchaampjes en daarvan uitgaande kanaaltjes zouden ontbreken , heeft C. Mayer (Fror. N.Not. N°. 5) verbeterd. J. Müller ontdekte beenligchaampjes en stervormig daarvan uitgaande kanaaltjes ook in de dunne beenlaag, die de meeste kraakbeendereti der plagiostomata overtrekt. De holten in de beenderen der vogels zijn, zoo als bekend is, niet met merg opgevuld , maar nemen lucht op, zoo als bij de hoogere dieren de cellen van het tepelvormig uitsteeksel van het slaapbeen. Berzelius, Clwmie, IX, 545. Sedastian en Ferrandes de Barros, bij Berzelius, p. 548. J. Müller, in Poggerd. Annalen, XXXVIIf, 547.

Het met de beenderen overeenkomende zoogenoemde uitwendig skelet van vele ongewervelde dieren , der crustaceën en echinodermen , de schalen der mollusken, zijn chemisch door een overwegend gehalte aan koolzuren kalk van de beenderen onderscheiden. Haar maaksel is nog weinig onderzocht. Omtrent de cellen en kanalen van de kreeltschalen was reeds boven blz. 215 sprake. In de oesterschalen zijn. volgens Muller, de anorganische bestanddeelen in den vorm van mikroskopische kristallen afgezet ; de schaal van den zeeëgel stemt daarentegen in haar maaksel met de beenderen van hoogere dieren overeen.

Gmelin s Tlworet. Chemie II, 1475 en volgg. Valertir, llepert. 1856, p. 122, J. Müller, t. a. p. p. 551.

De ontdekkingen omtrent het fijnere maaksel der beenderen beliooren lnjna alle tot den laatsten tijd. Van de mikroskopische bestanddeelen van het beenweefsel zijn alleen de mergkanaaltjes aan de ondere anatomen bekend geweest, en slechts omtrent Leedwenhoek mag men het naauwelijks in twijfel trekken, dat hij ook de fijnere kalkkanaaltjes en de beenligchaampjes gezien heeft. Hij onderscheidt (Anatomia s. inier. rerum 1GÜ7, p. 201) vier soorten van buizen in de beenderen; de eerste soort, zoo klein en digt opeengedrongen, dat men ze niet ge-

Sluiten