Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

makkelijk waarneemt, heeft hij in den beginne op dwarse doorsneden voor koreltjes gehouden, en diensvolgens aangenomen, dat de beenderen uil kogeltjes bestonden. Hij leerde ze later kennen als summitates tubulorum illorum, é quibus os componilur. Men zoude ze voor zeer fijne mergkanaaltjes kunnen houden. Maar in de Phil. transact. N°. 140. p. 1002 merkt bij op, dat bij in de beenderen fijne buisjes gezien heeft, gelijk aan die der tanden, maar niet zoo regt, wat geene betrekking op de mergkanaaltjes hebben kan. De buizen der tweede soort waren zesmaal zoo groot als die der eerste; zij deden zich als donkere vlakken voor. Waarschijnlijk zijn bet de beenligchaampjes. De buizen der derde soort waren veel grooter, in bepaalde orde, en, even als groote plantenvaten in concentrische kringen geplaatst. De vierde soort van buizen was zeer groot en zeldzaam.

Wat Leeuwenhoek voor de dikkere buizen heeft aangezien, werd door gelijktijdige en latere onderzoekers, die het gebruik van het mikroskoop veronachtzaamden, vezels genoemd. Volgens Gageiardi (Anat. oss. 1G89. p. 11), die zijne onderzoekingen aan gegloeide, uitgekookte en verweerde beenderen in het werk stelde, bestaat bet been uit lamellen (squamulae s. bracteae) en elke lamel uit filamenta, die in den schedel straalvormig, in bet dijbeen parallel loopen. De anastoinoserende kanalen tusschen de longitudinale beschrijft hij als claviculi ossei, die in openingen van de lamellen zouden zijn ingevoegd en ze met elkander zouden verbinden. De lamellen van Gagliardi en van zijne navolgers zijn plaatjes, die een groot aantal elementaire lamellen bevatten. Zoo kon Havebs (Osleologia nova. 1691 , p. 41) zelfs de afschilfering van aan beenziekte lijdende stukken als argument voor de lamelleuze structuur der beenderen aanvoeren. Den vezeligen bouw der lamellen bewijst Havers door de strepen aan de oppervlakte der pijpbeenderen; de mergkanaaltjes onderscheidt hij als poriën, die in de bast overlangs, in de nabijheid van het mergkanaal overdwars loopen , en geen bloed, maar merg voeren (p. 46). Dat de beenderen uil platen en de platen uit vezels zamengesleld zouden zijn , was spoedig de algemeen heerscbende meening; door den arbeid van Duhamel (Acad. de Paris. 1739, p. 1 ; 1742, p. 254; 1743, p. 99), van Lasöne (t. z. p. 1751, p. 98) en van Focgerodx (Mem. sur les os. Paris 1760) werd zij nog meer bevestigd, DdhameI verklaarde de laagsgewijze structuur uit de wijze van groeijen , terwijl bij aannam, dat bet beenvlies laagsgewijs in been werd omgezet; als bewijs voor het plaatvorrnige maaksel voert bij verder de afwisselende lagen van roode en wille beenslof aan bij dieren, die van tijd tot tijd met meekrap gevoederd waren. De dikte der lamellen geeft hij bij volwassenen op van 5 — 6"'. De vezels nam bij met behulp van bet mikroskoop waar. Zij zouden anastomoseren en eene kraakbeenachtige massa bevatten (1743. p. 126). Na voeding met meekrap vertoonde zich bij sterke vergrooting een netwerk van vezels (1639. p. 8') De Lasöne stelde de plaatjes daar aan beenderen van volwassenen, na behandeling met zoutzuur. De vezels liepen daarin meest longitudinaal, maar ook overdwars. Overigens beschouwde bij de balkjes der sponsachtige zelfstandigheid ook als beenvezels. Focgerodx ontleedde de beenderen in lamellen, door ben na uittrekking der kalkaarde in beet water te dompelen, waardoor de afzonderlijke lagen van zelve

Sluiten