Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan den rand takken bezitten. » Ut coronae radiatae passim exoriatur species." De door Dedtsch ontdekte kanaaltjes vond liij ook in versche beenplaatjes en in lulke, wier organische stof door potassa caustica vernietigd was (p. 37); nogtan$ aarzelt bij ze voor kalkboudend te verklaren. In beenderen, waaraan bet kraakbeen onttrokken was, deed zich de kalkaarde als een wit, fijn poeder tusschen de beenligchaampjes voor. De overgang der ligchaampjes in de kanaalljes, waardoor beide als deelen van één zamenbangend kalkvoerend systeem te beschouwen zijn, werd eerst door J. Muller uitgemaakt. (Miesciier t. a. p. blz. 2G7; Archiv, 183G , 5. VI.) Deze bewees op eene beslissende wijze, dat er buiten de kanaaltjes kalkaarde in het kraakbeen aanwezig is; wat de w ijze der verbinding aangaat, zoo schijnt het hem toe, dat ook in het kraakbeen de kalkaarde slechts fijn verdeeld, niet chemisch gebonden zij. Ik'houd nogtans het laatste, wat volgens mikroskopische verhouding waarschijnlijker is, door zijne tegenwerpingen niet voor wederlegd. Ilij voert aan, dat men bij sterke vergrootingen in doorschijnende deelen van beenplaatjes iets fijnkorreligs bemerkt; maar dit neemt men ook aan "beenkraakbeen waar, na uittrekking van de kalkaarde. De kleuring der beenderen door eene roode kleurstof laat zich reeds alleen door de verbinding van laatstgenoemde met de in de kanaaltjes bevatte vrije kalkaarde verklaren, en bewijst derhalve niet, dat alle kalkaarde vrij is. Bij eene combinatie van de kraakbeenmoleculen met die van den phosphorzuren kalk tot zaniengestelde moleculen houdt Müller bet voor onmogelijk, dat het kraakbeen na uittrekking van bet kalkzout zijnen vorm behoude, en vasten zamenbangend blijve. Dat dit wel geschieden kan , zien wij, zoo als reeds Miescuer aanvoert, aan verkoold hout, waaraan toch klaarblijkelijk een groot deel van zijne elementen onttrokken is, die met de overgeblevene tot zamengestelde atomen verbonden .waren. Door de gemakkelijkheid, waarmede door zuren aan de beenderen de kalk onttrokken wordt, onderscheidt hunne zelfstandigbeid zich Ongetwijfeld van andere verbindingen van organische en minerale stoffen; intusschen is het wel mogelijk, dat de zuren alleen de in de kanaaltjes bevatte kalkaarde opnemen, of dat het kraakbeen , dat met kalkaarde oververzadigd is, een gedeelte daarvan ligter laat varen, en slechts zoo veel terughoudt, als in alle lijmgevende stoffen gevonden wordt. Müller maakte het eerst op het vezelige maaksel van het beenkraakbeen opmerkzaam. .De nieuwere onderzoekingen waren nog slechls op de ontwikkeling der beenderen en de beteekenis der beenligchaampjes gerigt.

Voor afbeeldingen van beenligchaampjes en kanaaltjes verdienen nog genoemd te worden: .J. Müller bij Miescber, Infi. oss. Tab. IV, fig. 1,2, en Poggend. Ami. XXXVIII, PI. IV, fig. 1. VilENTlN, Repert. I, PI. II, fig. 43, 44. Gbrlt, Vergl. Phys. PI. II, fig. 2. Gerber, Allg. Anat. PI. III, fig. 70.

{Vervolg.) Ten einde verwarring te voorkomen, herinneren wij hier ten overvloede, dat de mergkanaaltjes van IIenle, hij Kölliker ffaversische kanalen genoemd, wel moeten onderscheiden worden van de uitloopers der beenligchaampjes, de beenkanaaltjes, de canaliculi chalicophori van Müller. Kölliker (Mikrosk. Anat.) geeft op, dat voor de mergkanaaltjes de dikte hunner uit concentrische

III. 19

Sluiten