Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

platen bestaande wanden, in geene vaste verhouding staat tot hunne wijdte; de dikste wanden treft men hij die van middelbare wijdte aan, en wanneer de wand soms aan den eenen kant van de buis wat dikker is, hangt dit van ongelijke dikte van één of meer platen af, en niet van het tusschen geschoven zijn eener onvolkomene plaat; want maar zelden zijn de platen onvolkomen, dat is, loopen de holte van het kanaal niet geheel rond. De BREScnET'sche aderkanalen der wervels vond Kölliker (t. a. p. p. 334) bij vele, vooral oudere, voorwerpen met merg gevuld, hoewel er overigens ook zeer wijde, uit de gewone rokken zamengestelde aderen, door arteriën en zenuwen vergezeld, in verliepen. Uierdoor worden dus de bezwaren versterk!, die Kobelt reeds opperde tegen de door Breschet gegeven beschrijving van het beloop der aderen in de diploë van den schedel.

Dat de inergkanaaltjes fijne vaatjes, vooral aderlijke bevatten, werd door Arnoid en Kobelt (1843) geleerd; vooral aan de schedel beenderen , zoo lang de naden nog niet vergroeid zijn, zou elke plaat een eigen aderlijk vaatnet hebben, dat op eene .bepaalde plaats zijn bloed naar buiten ontlast; bij oude lieden zou dan ook van dien kant de afvoering van bloed uit de hersenen belemmerd worden. Engel wilde (1847), met het oog op de vaten, de beenderen in tweeklassen verdoelen, namelijk platte beenderen, die, zelve zonder vaten, ze alleen van hun periosteum ontvangen, en spongieuza beenderen, welke hunne eigene haarvaatuetten bezitten. Bij de atropkia senilis van het scelet grijpt in de eerstgenoemde eene verdunning plaats; zoo als b. v. aan de darm- en schedelbeenderen; bij de tweede klasse van beenderen is dit het geval niet.

Zenuwen, die de vaten begeleiden, werden door Kobelt (1843), Engel (1847), Gros (1846) gezien; de laatste vond de takken der animale zenuwen, waar zij in het been dringen, soms.tot ganglia verdikt (misschien Pacinische ligchaampjes, zie boven p. 215, reg. 4). Ldscdka (1850) ging de zenuwen aan de wervel- en schedelbeenderen, Corti (1851) aan de lamina spiralis van den beenigen labyrintli na.

In het beenmerg vond Bobin (Gas. Mei. 1849, N°. 51) twee nieuwe elementen : 1°. sphaerische of veelzijdige cellen, die hij mergcellen wil genoemd hebben, van 0,006"'—0,008 " grootte, met eene regelmatig ronde kern van 0,0025"'—0,003"' en eene afwisselende hoeveelheid moleculairen celinhoud; 2°. platte, veelhoekige of onregelmatig ronde schilfers van ten minste 0,025—0,035"' middellijn, fijnkorrelig, 6—10 kernen bevattende, welke eens zoo lang als breed (0,0022"') zijn, en een of twee nucleoli insluiten. Beicle elementen zijn hij jonge voorwerpen veelvuldigcr; de laatstgenoemde schilfers zijn zeldzaam, en liggen gewoonlijk op de grens van het merg en de mergpijp. Voor Bobin had Engel (Zeitschr. d. u-ien. Aerzte, 1847, p. 377) cellen beschreven, die in de mergholten, tijdens hun ontstaan, naast eene kleine hoeveelheid vet worden aangetroffen, en, daar de talrijko kleine, ronde, bruin gekleurde cellen , in aanraking met de dampkringslucht, soms helder rood worden, aan de kanaaltjes het aanzien van bloedvaten geven. Het foetale merg bestaat, volgens Kölliker, deels uit vrije kernen, deels uit cellen met een of meer kernen; zij stammen niet, zoo als Bathke wil, van kraakbeencellen af, maar zijn nieuwe vormsels, waaruit zich vaten en zenuwen, bindweefsel en vet ontwikkelen zullen.

Sluiten