Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

religen en anorgauischen inhoud aangevoerd, en heeft waarschijnlijk alleen inde eigenaardige gesteldheid der ivanden en in liet met-lacht gevuld zijn haren grond. De ontwikkeling van koolzuur-belletjes binnen in de kanaaltjes, bij.toevoeging van zoutzuur, kon buitendien niet voor een afdoend bewijs gelden, daar toch ook het koolzuur , dat uit het vaste omliggende been ontwikkeld wordt, in deze holten ( moot geraken.

H. Meter (18191 merkte aan, dat het indringen van kleurende vloeistoffen in de beenkanaaltjes geen onomstootelijk bewijs is voor hun niet gevuld zijn; de kleurstof toch kon ook de kalkkoureltjes, wanneer die in de holten lagen, kleuren, en volgens M. zijn deze werkelijk in enkele beenligchaampjes als een poedervurmig afzetsel aanwezig.

Donders (1847) zag terpentijn in de kanaaltjes indringen, maar alleen van eene breukvlakte, niet van eene ongeschonden beenoppervlakte uit; daarom betwijfelt hij, of zij daar wel vrij uitmonden. Op de met kraakbeen bedekte gewrichtseinden zouden zij, volgens Gerlach, eindigen, door zich onder een vrij scherpen hoek om te buigen, Tomes zag beenligchaampjes, welke in de tusschenruimte van twee of drie stelsels van concentrische platen lagen, naar allerigtingen beenkanaaltjes uitzenden , en zoo doende de beenligchaampjes van verscheidene stelsels met elkander zamenharigen. In den regel evenwel zouden de beenkanaaltjes niet naar buiten, maar naar binnen toe verloopen, dus naar het mergkanaal, in welks platenstelsel hunne beenligchaampjes zich bevinden. Krdkenberg (Mülier's Arch. 1849, p. 412) vond de onderlinge anastomose der-beenkanaaltjes niet somtijds, gelijk men vroeger geloofde, maar steeds aanwezig; er bestaat dus één doorloopend net van fijne kanaaltjes, die meestal van de meest nabij elkander liggende, soms ook van iets verder van elkander verwijderde beenligchaampjes ineenvloeijen; alleen aan de oppervlakte van het been en daar, waar de bedoelde kanaaltjes in eene mergbuis uitmonden, anastomoseren zij niet. De beenkanaaltjes ontspringen min of meer trechtervormig uit de beenligchaampjes.

J. Tomes (Osseous Tissue, in Todd's Cyclop. p. 847) wilde, dat de beenderen uit kleine korreltjes van 0,0008—0,002"' zouden zijn zamengesteld; Henie geloofde echter, dat deze korreltjes identisch zijn met de reeds door Dedtscd beschreven openingen der beenkanaaltjes, en die, dwars doorgesneden, aan de vlakte van een beensneedje een gestippeld aanzien geven. Köiiiker (Mikroskop. Anat. 290) beaamt deze verklaring niet, dewijl.zij ook op dwarssneden van lange beenderen en tusschen de uitloopers der beenholten (der beenligchaampjes) zigtbaar zijn. Intusschen vindt Henle zijne beschouwing hierdoor geenszins wederlegd, daar de beenkanaaltjes zich vertakken, en, van de spitse uiteinden der ligchaampjes uit, overlangs in de pijpbeenderen verloopen. Dc afbeeldingen van Köllikkr zelve versterken hem in zijne overtuiging.

Terwijl dc benaming beenligchaampjes naauwelijks meer te regtvaardigen was voor de ledige, althans met geen vaste stof gevulde holten , scheen zij echter meer dan ooit aan de werkelijkheid te beantwoorden, toen het Virchow in 1850 (Verhandl. der u-iirzb. Ges. p. 193,- Ueber Knochen- und Knorpel-K'órpercheti) gelukte, afzonderlijke beenligchaampjes met hunne uitloopers daar testellen. Na eenige uren maceratie in zoutzuur, verkreeg hij ze uit het atrophische

Sluiten