Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eene andere beschouwing werd door Gerber en G. H. Mayer (Müll. Arcli. 1841, S. 210) verdedigd: zij bielden de beenligchaampjes voor de kernen van oorspronkelijke elementaircellen; de beenkanaaltjes zonden verlengsels dier kernen zijn, terwijl bij de serbecning van bet kraakbeen eene versmelting van kernen en cellen zou plaats vinden, waardoor, volgens bunne meening, de vorming van beenligcbaampjes, volgens Henle die der merg kanalen, tot stand komt. Volgens eene derde opvatting; die door Henle wordt voorgestaan, zijn de beenligcbaampjes celbolten, wier verdikte wanden onderling en met de intercellulairstof versmelten, en in welke wanden de beenkanaaltjes analoog aan de porenkanaaltjes der plantencellen zich ontwikkelen. liet blijven bestaan der kern in de celbolte werd daarbij door II. in twijfel getrokken.

Elk dezer drie verschillende inzigten beeft ook later bij voortduring bare vooren tegenstanders gehad. De meeste onderzoekers belden naar de laatste, door Henle gevolgde opvatting over, voor welke in zijn oog nog steeds de meest afdoende gronden schijnen te pleiten. De schwann'sehe theorie beeft door de ontdekkingen van Vircdow en Donders (1850.en 1851), die zoo even, met de daarvan door Henle gegeven verklaring, door ons vermeld werden, een nieuw leven géitregen. De beschouwing, straks in de tweede plaats genoemd, werd te gelijker tijd door Qoekett voor de met die van het been overeenkomstige ligchaampjes van het kraakbeen, in een enchondrom waargenomen. Vroeger (1846) hadden ook Todd en Bowmann, en in Duitschland Lessing (t. a. p.) en Platneii (1844), de beenligehaampjes uit de kernen der kraakbeencellen, de beenkanaalljes uit de stralen der vertakte kernen afgeleid; de kernen blijven korrelig, terwijl celwand en tusschenstof verbeenen. Süarpet (in Qdains Anatomy) meende bij de verbeening der kraakbeencellen opgemerkt te hebben, dat bun inhoud de cel niet geheel aanvulde, maar als eene grof korrelige, onefiene en zelfs getande massa in het midden der holte overbleef. Wat Sharpet celinhoud noemt, gelooft Henle, dat de na verdikking der wanden overblijvende celholte is. Die verbeende kraakbeencellen evenwel hebben, volgens Sharpet, noch met de beenmassa in zijn geheel, noch met de beenligchaainpjes iets te maken , daar de eerste doür verbeening van opvolgend ontstaande vezels tot stand zou komen, terwijl de laatsten de tusschen de vezels overblijvende holten zouden zijn. Behalve Suarpeï kon ook Arnold de cclnatuur der beenligchaampjes niet erkennen; bij kent hen geene eigene wanden toe, en zelfs bet hier en daar zigtbaarworden van een soort van omhulsel, na de inwerking van zoutzuur, wil hij niet als bewijs voor bun zelfstandig bestaan laten gelden. Wat eindelijk de kraakbeenligchaampjes betreft, deze zouden verdwijnen bij de verbeening, en bunne plaats zou door de mergkanaaltjes ingenomen worden; in dit laatste punt stemt Platner met hem overeen.

Wanneer men de hier boven aangehaalde onderzoekers uitzondert, deelen alle de overige in het door IIenle verdedigde gevoelen nopens de natuur der beenligcbaampjes, als met porenkanalen voorziene celholten van kraakbeencellen, wier wanden zich verdikken, en als bij de verbeening der tusschenstof gewijzigde kraakbeenligchaampjes.

Zoo besehrijft Valentin, bij de verbeening, den overgang van kraakbeen-in beenligcbaampjes. De eerste zag hij door een lichte, in de tusschenstof ingepakte cel

Sluiten